Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
14 octobre 2008 2 14 /10 /octobre /2008 21:28

De Oostenrijkse psychoanalyticus Otto Gross, een in leven en werk wat excentrieke en controversiële persoonlijkheid, was in menig opzicht een voorloper. De wat marginale maar niet minder reële invloed van deze sleutelfiguur op de ideeëngeschiedenis wordt nog altijd al te vaak gebagatelliseerd. Hoe men er ook tegenover moge staan, zijn baanbrekende inzichten getuigen meestal van een ongemene revolutionaire frisheid en creativiteit.

In de tweewekelijkse Mededelingen van het CDR publiceerde ik twee jaar geleden een boeiend opstel van prof. em. dr. Piet Tommissen over “Het geval Otto Gross”, (Mededelingen, nr. 77, de dato 31 augustus 2006, pp. 2-4; nr. 78, de dato 18 september 2006, pp. 5-13). De papieren afleveringen zijn niet meer leverbaar. Op vraag van belangstellenden wordt het opstel van Piet Tommissen hier gepubliceerd. De talrijke voetnoten, die vaak nieuwe pistes aanreiken, werden om louter technische redenen weggelaten.

Henri-Floris JESPERS

 

 

V

Hurwitz houdt het voor onmogelijk een biografie van O.G. op chronologische grondslag te schrijven en koos voor de thematische aanpak.  Na me in het denken van O.G. verdiept te hebben, ben ik geneigd ‘onmogelijk’ door ‘bijzonder moeilijk’ te vervangen. Vandaar dat ik, in het belang van de lezer, leven en werk gescheiden behandel, zonder de interdependentie tussen beide te loochenen. Het is helaas geen sinecure het systeem waar O.G. voor geleefd en gestreden heeft en dat los staat van zijn louter medische bijdragen, zoals deze over de schizofrenie, te resumeren. Er kunnen fasen in de wordingsgeschiedenis van dat systeem worden aangetoond en het technisch karakter van menig onderdeel is een supplementaire moeilijkheid. Vandaar een noodoplossing: ik beperk me tot een paar kerngedachten die de richting van het denken (en streven!) van O.G. aangeven.

Welnu, aan de basis ligt de situatie die O.G. in het ouderlijke huis had leren kennen, te weten het samenleven van een dominerende vader en een, volgens hem, tot onderdanigheid gedoemde moeder. Reflexies over die familiale ervaring culmineerden in de overtuiging dat een neurose het gevolg is van een conflict tussen ‘het eigene’ en ‘het vreemde’, tussen de driften die in elk individu leven (de seksuele en de ego-driften, d.i. deze die gericht zijn op het behoud van de eigenheid, zeg maar de aangeboren aard) en de invloeden van buitenaf die het inwendig leven van het individu verstoren. Bijgevolg zijn b.v. normen (b.v. de kuisheid, de trouw) en instituties (b.v. het huwelijk, de familie) verantwoordelijk voor een geknevelde seksualiteit. Weg dus met de gangbare seksuele moraal, want om te genezen moeten neurotici seksuele immoralisten worden. Leve de orgie, de enige mogelijkheid om conflictvrij te kunnen leven.

In een volgende fase concludeerde O.G. tot het bestaan van algemenere conflicten: op het sociale vlak tussen patriarchaat en matriarchaat, op het wetenschappelijke vlak tussen natuur- en geesteswetenschappen, op religieus vlak tussen ‘mannelijk’ monotheïsme en de religies die aan vrouwelijke moeder- en liefdesgodinnen de centrale plaats toekennen. Hij was gewonnen voor het matriarchaat en wou de psychoanalyse van een natuur- in een geesteswetenschap omtoveren; qua religie sprak hem de Fenicische Astarte-cultus aan. Vervolgens construeerde O.G. een tegenstelling tussen twee totaal verschillende sociale typen: het patriarchale berustend op verdrag, autoriteit en morele concepties en tot uiting komende in familiale, bezits- en machtsverhoudingen, en het matriarchale berustend op de vrije omgang van de individuen met elkaar en zich openbarend in de ontstentenis van plichten en bindingen. Anders uitgedrukt: enerzijds het huwelijk, zijnde de incarnatie van een morele en via overeenkomst geregelde onderwerping der geslachten, anderzijds een hypermorele vrijheid qua betrekkingen tussen de geslachten.

Louter ten informatieven titel zij aangestipt dat O.G. nog andere typologieën gepresenteerd heeft. Bekend is vooral deze waarin onderscheiden wordt tussen twee categorieën van individuen die beide ‘ab’-normaal zijn omdat hun persoonlijkheid van die van de doorsnee stervelingen afwijkt: de door zijn vader vermaledijde minderwaardige en de geniale mensen. Het staat bij de geboorte geenszins vast of een minderwaardige dan wel een genie ter wereld is gekomen. Onnodig te zeggen dat O.G. zodoende tegenover de negatieve zienswijze van zijn vader een positieve kijk op de feiten plaatste. Er kan zelfs aangetoond worden dat C.G. Jung in dezelfde richting dacht toen hij introverte en extraverte typen onderscheidde.

Bachofens theorie voor O.G. van kapitaal belang geweest zijnde, moet ik ook haar een bondige parenthese samenvatten. De Zwitserse jurist deelde de culturele ontwikkeling van het mensdom in drie stadia in:

het tellurisch stadium: nomaden leefden van de jacht, kenden het huwelijk niet, pasten het recht van de sterkste toe;

het lunaire stadium: de landbouw kwam in zwang, de mens werd meer en meer een sedentair wezen, geordende sociale verhoudingen ontkiemden, de moedermoord werd als het zwaarste vergrijp aangevoeld;

het solaire stadium: de arbeidsverdeling zette zich door, het conjugaal vaderrecht en de idee van de individuele eigendom gingen overheersen.

De twee eerste stadia bestempelde Bachofen als matriarchaal, het derde als patriarchaal.

Zonderling genoeg beschrijft O.G. de door hem verhoopte ontwikkeling ten goede bij middel van drie in het boek Genesis ontleende bijbelse begrippen, nl. paradijs, zondeval en verlossing. Het paradijs, dat was de oertoestand, de era van het matriarchaat. De zondeval, dat was het einde van die era: de autoriteit van de liefde werd door de liefde voor de autoriteit vervangen; over de manier waarop dat in zijn werk is gegaan heeft O.G. een m.i. zwakke verklaring bedacht. De verlossing, dat is het ongedaan maken van de zondeval en de terugkeer naar het matriarchaat. O.G. zette aanvankelijk alles op het anarchisme om die verlossing te bewerkstelligen, doch geloofde helemaal op het einde van zijn leven, dat het in Rusland aan de macht gekomen communisme de klus ging klaren. Dat geloof werd gevoed door bepaalde maatregelen die in de Sovjet-Unie van kracht werden, o.m. de afschaffing van het huwelijk en de culturele revolutie (cf. de Proletkult). Hoe zou O.G. gereageerd hebben, mocht hij gezien hebben hoe vlug die maatregelen teruggeschroefd of ongedaan gemaakt werden? Zou hij ingezien hebben dat zijn systeem in een psycho-utopie moest uitmonden, de utopie van een hemel op aarde of, in de terminologie van Hurwitz, van een paradijszoeker? We kunnen die vragen stellen, moeten het antwoord uiteraard schuldig blijven. Daarom schakel ik naar een ander aspect van de denkontwikkeling van O.G. over.

Zelfs voortrekkers komen niet gelaarsd en gespoord ter wereld, doch bouwen voort op het werk van ouderen en/of ondergaan hun invloed, bewust of onbewust. Wat O.G. aanbelangt is alleszins voorzichtigheid geboden. Zo vernoemt hij in een enkele tekst twee keer Fournier en bedoelt telkens de Franse romantische socialist Charles Fourier (1772-1837), wat voor sommigen volstaat om beïnvloeding te suggereren! Gelukkig is twijfel uitgesloten in de gevallen Adler, Bachofen, Kropotkin, Friedrich Nietzsche (1844-1900) en enkele anderen. Over enkele gevallen is het laatste woord nog niet gesproken; ik denk o.m. aan de mij tot voor kort volkomen onbekende Russische wijsgeer Afrikan Alexandrovitch Spir (1837-1890), aan wie O.G. het antagonisme tussen het eigene en het vreemde zou ontleend hebben.

Zoals ik reeds liet verstaan heeft O.G. aardig wat interessante tijdgenoten in zijn ban gezogen, soms langdurig, soms kortstondig. Er zijn enkele twijfelgevallen, o.m. Robert Musil (1880-1942) en Ludwig Klages (1872-1946). Hoe dan ook, menige auteur voert hem onder een fictieve naam in een of meer zijner romans ten tonele: Johannes R. Becher (1891-1958) als Dr. Hoch (De Abschied, 1940), Max Brod als Dr. Askonas (Das große Wagnis, 1918), Blaise Cendrars als Dr. Raymond-la-Science (Moravagine, 1923), Leonard Frank (1882-1961) als Dr. Kreuz (Links wo das Herz ist, 1952), Franz Jung als Ernst Möller (Kameraden…, 1913) en als Paul (Opferung, 1916), Emil Szyttia (ps. van Adolf Schenk; 1886-1964) als Dr. Mager (Die Internationale der Außenseiter, 1955-56), Franz Werfel (1890-1945) als Dr. Gebhardt (Barbara oder Die Frömmigkeit, 1929), Franziska zu Reventlow (1871-1918) als Dr. Bauman (Der Geldkomplex, 1916), enz. Van hun kant hebben sommigen het over hem terloops of uitvoerig in hun autobiografie: E. Mühsam (Unpolitische Erinnerugen, 1961), Fr. Jung (Der Weg nach unten. Aufzeichnungen aus seiner großen Zeit, 1961), Karl Otten (1889-1963) (Wurzeln, 1963), Richard Seewald (1889-1976) (Der Mann von gegenüber, 1963). Eigenaardig genoegd oordeelden enkelen post festum denigrerend over O.G.; tot grote ontsteltenis van Kafka ging Werfel O.G. zelfs haten!

Via die – ik weet het – dorre opsomming hoop ik er de lezer te hebben van overtuigd dat O.G. niet de eerste de beste is geweest. Als curiosum weze nog vermeld dat hij zelfs in Das Kabinettt des Dokter Caligari, de expressionistische film van Robert Wiene (1881-1938) waarin de bekende actrice Lil Dagover (ps. Van Marta Seubert; 1998-1980) een hoofdrol speelt, present blijkt te zijn. Men kan zich afvragen of de studenten die in 1968 in Parijs de verbeelding aan de macht wilden brengen, niet onbewust bezig waren, ideeën van O.G. te herkauwen? Idem voor hun Duitse geestesgenoten, die zich op Wilhelm Reich (1897-1957) beriepen, de man die Freud niet wilde analyseren, wiens Sexpol een heure de gloire heeft gekend en die volgens sommigen bij O.G. aanknoopte. Wat er ook van zij, Reich en ook Georges Bataille (1897-1962) zijn frappante voorbeelden van – voorzichtig geformuleerd – met O.G. verwante zielen.

*

Toen ik me aan het schrijven van deze bijdrage zette, stond me als een geschikte titel deze van de Duitse TV-serie voor de geest, waarin privé-detective Matula de eerst viool speelt: Ein Fall für zwei. Waarschijnlijk staarde ik me blind op het conflict tussen vader en zoon Gross, meer bepaald op een intrigerende inconsistentie in het gedrag van O.G.: hij kon zijn vader niet luchten, maar had geen bezwaar noch tegen diens financiële steun noch tegen de bescherming die hij zijn zoon op grond van zijn reputatie minstens een keer geboden heeft. Naarmate ik vorderde zag ik in, dat het bedoelde conflict slechts een belangrijk onderdeel van mijn thema is en verving ik de attractieve titel door een andere, die beter de lading dekt en waar men meerdere kanten mee uit kan.

Wat de bijdrage als zodanig betreft moet ik erop attenderen dat ik gemeend heb twee zaken uit mijn exposé te mogen weren: gebeurtenissen waarover tegenstrijdige meningen circuleren (b.v. de mogelijke betrokkenheid van O.G. bij een smokkelaffaire die voor doel had de anarchistische kas te spijzen), en personen wier naam de lezer niets zegt tenzij men er toelichting bij verstrekt (en dan nog… ). Gezien de beperkte plaatsruimte diende bovendien aan talrijke (hoofdzakelijk bibliografische) voetnoten te worden verzaakt. Desondanks troost ik me met de quasi-zekerheid over een decennialang ten onrechte verwaarloosde utopist van formaat het minimum minimorum te hebben gezegd.

Prof. dr. Piet TOMMISSEN

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche