Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
29 septembre 2008 1 29 /09 /septembre /2008 03:03

B.Ziehier die twee oudere teksten. Ik heb enkel de spelling aangepast, wat me wel niemand ten kwade zal duiden. Bovendien las ik tussen gesloten haakjes ontbrekende voornamen, de naam van de zich van een pseudoniem bedienende auteur, en – voor zover ze me bekend zijn – de levensdata van de geciteerde auteurs in, alsook ontbrekende bibliografische gegevens. Er bleek slechts één correctie nodig en ook in dat geval komt het procédé van de gesloten haakjes goed van pas. De vergissing die die correctie noodzakelijk maakt, is er eentje van formaat: i.p.v. de schilder Robert Motherwell (1915-1991) vernoemde ik zijn uitgever Wittenborn! Hoe me die flater kon overkomen, snap ik gewoon niet. Het is waar dat ik het boek niet bezat en het exemplaar van Paul de Vree (1909-1982) heb ontleend, maar dat was geen reden om die bok te schieten. Ik troost me met het bekende excuus van de oude komische dichter Terentius (19°-159 v.C.) bedacht heeft: homo sum – humani nil a me alienum puto.

 

*

Het dadaïsme als geestelijk avontuur

(Het Handelsblad (Antwerpen), 11 juni 1957, p. 5)

Toen George Wittenborn [moet zijn: Robert Motherwell] enkele jaren geleden in Amerika de beroemde documentenverzameling Dadapoets and Painters [ - An Anthology, New York: Wittenborn, Schultz, Inc., 1951, XXXII-388p., no 8 in de reeks ‘Documents of Modern Art’] voor de druk voorbereidde, werd afgesproken dat Richard Huelsenbeck [1892-1974] de inleiding schrijven zou, en dat deze inleiding, als laatste dadaïstisch manifest, door de nog in leven zijnde vroegere medestichters en medewerkers zou worden mede-ondertekend.

Dat vernemende weigerde Tristan Tzara [ps. van Samuel Rosenstock, 1896-1963] plots alle medewerking, dreigde alle ter beschikking gestelde teksten te zullen terugtrekken, en bereikte zelfs dat velen, onder andere Max Ernst [1891-1976], niet langer bereid waren Huelsenbecks proza te viseren! Op het allerlaatste nippertje daagde dan gelukkig [Marcel] Duchamp [1887-1968] op met het voorstel dat én Huelsenbeck en Tzara een inleiding zouden ter beschikking stellen en dat beide teksten slechts door de respectievelijke auteur zouden ondertekend worden.

Afgezien van het feit dat deze anekdote uitermate symptomatisch is voor de vrij troebele verhoudingen die steeds schijnen te hebben bestaan tussen de dadaïsten Huelsenbeck en Tzara, onderstreept ze meteen de noodzakelijkheid naar beider getuigenis te grijpen bij het eventueel beoordelen van de eerste fasen van de dadaïstische activiteit. Dit is nog des te meer noodzakelijk wanneer men geconfronteerd wordt met de strijd “um Prioritäten im Dadaismus” waar een afzonderlijk kapittel aan te wijden ware!

Nu heeft het toeval gewild – tenzij het woord toeval ook hier misplaatst zou zijn? – dat haast gelijktijdig beide auteurs bijdragen tot de geschiedenis van het dadaïsme hebben gepubliceerd. Eerst verscheen het dure boek van Georges Hugnet [1906-1974]: L’aventure Dada (Galerie de l’Institut, Paris, 1957, 101 p. + [32 p] illustraties, Bfrs 285), waarbij te bedenken valt dat Hugnet de spreekbuis van Tzara is. Zopas kwamen ook op hun beurt Huelsenbecks niet minder dure herinneringen van de pers onder de titel Mit Witz, Licht und Grütze. Auf den Spuren des Dadaismus (Limes Verlag, Wiesbaden, 1957, 152 p. + 1 collage van [Hans] Arp [1886-1966]; Bfrs 157).

Men moet niet eens vertrouwd zijn met de feiten en bijzonderheden om vrij vlug te beseffen dat Hugnet ongetwijfeld veel bruikbaar materiaal weet op te dissen over wat er zich in Frankrijk heeft afgespeeld, maar dat hij heel wat minder zadelvast is zodra hij het over de niet-Franse gebeurtenissen heeft. Men vraagt zich zelfs af of zich deze chroniqueur veel moeite getroost heeft om op de hoogte te blijven, vooral wanneer hij op een bepaald ogenblik en wel naar aanleiding van de Malik-Verlag de vraag stelt: “Qu’est-elle devenue sous Hitler?” (p. 51). Terwijl de eigenaar [Wieland] Herzfelde [eig. Wieland Herzfeld, 1896-1988] toch momenteel in Leipzig literatuurgeschiedenis doceert en gemakkelijk bereikbaar is!

Huelsenbeck daarentegen heeft het alleen over zijn eigen belevenissen en beperkt zich tot Zürich en Berlijn. Van groot belang is al wat hij meedeelt over Hugo Ball [1886-1927], die door de historici te weinig gewaardeerd wordt bij het behandelen van de dadaïstische agitatie. Nochtans zal zijn appreciatie stellig tegenspraak uitlokken, daar niet alleen Balls vrouw [Emmy Hennings, 1885-1948] de feiten in een ander daglicht heeft gesteld, maar dat ook oude vrienden (Carl Schmitt [1888-1993], Fassbinder [?]) Emmy Hennings’ oordeel geneigd zijn te onderschrijven. Van groot belang is ook dat Hugnet een vrij ongenuanceerd waardeoordeel uitspreekt over de groep in Hannover rond Grootmeester Kurt Schwitters [1887-1948], terwijl Huelsenbeck weerom de Merz-Dichtung in het beste geval wenst begrepen te zien als een romantisch en provincialistisch getint afleggertje van zijn eigen Berlijns, internationaal geverfd dadaïsme.

Verheugend is ongetwijfeld dat én Tzara én Huelsenbeck het dadaïsme als een avontuur situeren, als een groot geestelijk avontuur van verdragende betekenis voor de gewezen wapenbroeders. Tzara schrijft bv.: “On peut donc affirmer que la signification des œuvres dada, leur valeur d’exemple, prenait le pas sur toute préoccupation esthétique ou moralisatrice” (p. 9)

Huelsenbeck gaat beslist verder en getuigt: “Der Dadaismus ist eine Gesamtreaktion, eine Antwort der ganzen Persönlichkeit auf die undefinierbare Herausforderung der Zeit, nicht nur eine rationalistische und ästhetische Reaktion” (p. 106). Onze auteur brengt er zelfs [Martin] Heidegger [1889-1976] bij te pas, waarbij alleen betreurenswaardig blijft dat hij het blijkbaar uit het geheugen en dus onjuist doet (p. 91)…

In dit verband verdient het aanbeveling de zin te herlezen die [Paul] Rodenko [1910-1976] ingelast heeft in zijn artikel “Een mutatietheorie van de literatuurgeschiedenis” in het generatienummer van Maatstaf (1954, juli/aug.-nummer, p. 385): “ook de genen ‘ethiek’ en ‘aesthetiek’ zijn in hoge mate mendelabel’. Ik ben persoonlijk de mening toegedaan dat men vanuit dit gezichtspunt merkwaardige inzichten kan verwerven in het wezen van de moderne en modernste kunstrichtingen en –uitingen.

Wie de Handelsbladartikels van Paul de Vree met gepaste aandacht leest zal zulks volmondig beamen en mogelijk zullen deze lezers meteen beseffen waarom Huelsenbeck met zoveel overtuiging de zin durft neerschrijven: “…nannte ich kürzlich Dada den Beginn einer neuen Moral” (p. 143). Het is van hieruit dat het onderzoek moet worden voortgezet![1]

Prof. em. dr. Piet TOMMISSEN

(wordt vervolgd)



[1] Eén voorbeeld: de met het onderwerp vertrouwde Amerikaanse vorser Anna Balakian (1915-1997) kwam tot de slotsom dat ‘particulary in the United States, where Dada seems to have proved its relevance more than has surrealism, the trend has been to suggest that surrealism was merely the Parisian version of Dada’; cf. haar referaat ‘Dada-Surrealism: Fundamental Differences’, pp. 13-30 in Wolodymyr T. ZYLA (ed.), Proceedings of the Comparative  Literature Symposium. Vol. III: From Surrealism to the Absurd, Lubbock (Texas), Texas Tech University, 1970, VI-192 p.; cf. p. 14. De ideale illustratie van Balakians vaststelling is de tiendelige reeks van Stephen C. FOSTER (ed.), Crisis and the Arts. The History of Dada, New Haven (Conn.)/London/München, G.K. Hall & Co, 1996-2005 (deel 7 – ‘The Import of Nothing: How Dada came, saw, and vanished in the Low Countries (1915-1929)’ – stond me helaas niet ter beschikking, alhoewel ik het geruime tijd geleden besteld heb).

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche