Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
28 septembre 2008 7 28 /09 /septembre /2008 07:34

Voor de Mededelingen van het CDR heb ik ooit een tekst over een drietal aspecten van het dadaïsme in het vooruitzicht gesteld (Mededelingen, nr. 60, 15 december 2005, p. 7). Het was een vermetele belofte, want nog steeds voel ik mij niet bij machte haar na te komen. In de hoop dat het me vroeg of laat wél lukt, wil ik thans, bij wijze van Ersatz, eerst via twee teksten ‘bewijzen’ dat DaDa me reeds “in lang vervlogen tijden” fascineerde, om vervolgens enkele paragrafen te bestenden aan de belangstelling voor Dada in de Lage Landen.

Aan het tweede luik moet ik schoorvoetend beginnen, want menig aspect ervan werd al grondig belicht door Henri-Floris Jespers, de onvermoeibare hoofdredacteur van dit tijdschrift, vooral in zijn diverse bijdragen in het trimestrieel verschijnend Bulletin de la Fondation Ça ira (Brussel; 1999 e.v.: reeds 34 afleveringen), naar dewelke ik met aandrang verwijs.

De welwillende lezer mag me het relatief groot aantal voetnoten niet kwalijk nemen, want ze zijn in eerste instantie bedoeld om hem toe te laten mijn beweringen te verifiëren en/of hem in staat te stellen, via wat titels uit de overvloedige literatuur, over het een of ander thema meer te vernemen.

*

Wat ik over Dada dacht, resp. denk

1. Bij wijze van aanloop.

A. Net zoals voor zoveel andere generatiegenoten ging ook voor mij in 1945 een wereld open. Likraak eb voor zover de beurs het toeliet begon ik me een en ander aan te schaffen van het vele dat in de wekelijkse literatuurpagina van de grote kranten besproken en in de boekhandel aangeboden werd. In die tijd was het al existentialisme wat de klok sloeg, stond het absurde theater ter discussie, kende het artistieke leven een reveil, oefende het communisme op heel wat intellectuelen een onmiskenbare aantrekkingskracht uit. En dan spreek ik nog niet over de binnenlandse perikelen die alles behalve van intellectuele aard waren, maar je toch nolens volens tot oordeelvorming dwongen: de mateloze repressie die diepe wonden heeft geslagen, iets later de koningskwestie, enz.

Ik ga niet zeggen L’Être et le néant (1943) van Jean-Paul Sartre (1905-1980) begrepen te hebben, maar zijn geschriften L’existentialisme est un humanisme (1946) en Réflexions sur la question juive (1946) leverden geen moeilijkheden maar wel wat wrevel op. L’homme révolté (1947) van Albert Camus (1913-1960) was makkelijker om verteren, La Peste (1947) zelfs puur leesgenot. Anderzijds zal ik wel niet de enige zijn geweest die zich onbehaaglijk voelde tijdens een opvoering van Samuel Becketts (1906-1989) En attendant Godot (1952). En à propos, toen ik de dagboeken van André Gide (1869-1951) op het mij onbekende woord “éparpillement” stiet, kon ik niet vermoeden dat het op mij toepasselijk was: de bekoring om me voor alles en nog wat te interesseren, o.m. voor het thema van de onderhavige bijdrage dat me tot op de dag van heden parten blijft spelen.

Natuurlijk las ik ook Engelse werken. Er zijn er twee die me bijzonder fel geboeid hebben: The Managerial Revolution (1943) van James Burnham (1905-1987), aan wie enkele decennia later, toen ik het tot hoogleraar gebracht had en dus geacht werd tot de jaren van verstand te zijn gekomen, een studie heb gewijd[1] , en Darkness at Noon (1940) van Arthur Koestler (1902-1083), van wie ik in de loop der jaren de meeste boeken en amper drie jaar geleden ook nog een diklijvige biografie[2] gelezen heb.

Het ware een vergissing te denken dat de Duitse literatuur me onverschillig zou gelaten hebben. Om voor de hand liggende redenen was het dit keer geen kwestie van bijbenen, maar kwam het er op aan, een serieuze achterstand in te lopen. Duitsland was immers tot in 1933 een soort van geestelijk laboratorium, ja een intellectueel luilekkerland geweest. Omdat na de Bevrijding de meeste antiquariaten in het bezit van door verzetlieden uit de bibliotheken van incivieken ontvreemde boeken waren geraakt, lukte het me soms iets interessants op de kop te tikken, bijv. Der Krieg als inneres Erlebnis (1926) van Ernst Jünger (1895-1889), een opus waarvan ik durf beweren dat het mijn intellectuele ontwikkeling in een bepaalde richting gedraineerd heeft. Hoe dan ik, ik contacteerde Duitse auteurs (om er maar één te noemen: Gottfried Benn [1886-1956], tijdschriftredacties, uitgevers.

Zodoende geraakte ik relatief vlug met de meest diverse aspecten van een resem themata, om niet te zeggen: problematieken, vertrouwd. Van zodra ik Urbain van de Voorde (1893-1966) leerde kennen, mocht ik voor de door hem geredigeerde wekelijkse cultuurpagina van de krant De Standaard (Brussel) een paar besprekingen schrijven. En van zodra ik in de redactie van het Antwerpse tijdschrift De Tafelronde gekatapulteerd was, gunde Ivo Michiels (ps. van Rik Ceuppens, °1923) mijn ingezonden teksten een plaatsje in de rubriek ‘Kunst en geestesleven’ die hij wekelijks voor de krant Het Handelsblad (Antwerpen) verzorgde.

Vermits deze bijdrage over het dadaïsme handelt, druk ik twee van de drie teksten af, die ik te zijner tijd geschreven heb. Degene die ik elimineer verscheen in het maandblad De Periscoop (Brussel) en handelde over het expressionisme [3]. De eerste die ik wèl afdruk verscheen in Het Handelsblad; hij bewijst dat ik in 1957 over DaDa voldoende gedocumenteerd was, om er een opstel te kunnen aan wijden. De tweede afgedrukte tekst is een ander geval. De Brusselse uitgever Henry Fagne (ps. van Julien Bernaerts, 1907-1978) had de gewoonte zijn auteurs en zijn vrienden regelmatig te zijnen huize te ontvangen. Bij tijd en wijl organiseerde hij zelfs een mini-colloquium bijv. in het laatste kwartaal van 1971 eentje over het surrealisme. Helaas waren twee deskundigen, Rik Sauwen en Théodore Koenig belet, zodat de dichters Marc. Eemans (1907-1998), Serge Largot (ps. van Ernest Aerts, °1929), Werner Lambersy (°1941) en Erik van Ruysbeek (ps. van Ernest van Eyk, 1915-2004), alsmede dé autoriteit in puncto dadaïsme Marc Dachy (°1952) en ikzelf urenlang van gedachten gewisseld hebben. Over het verloop van de discussie herinner ik me helaas niets meer.

Prof. em. dr. Piet TOMMISSEN

(wordt vervolgd)



[1] P. TOMMISSEN, ‘Requiem ter ere van James Burnham’, in: Tijdschrift voor sociale wetenschappen (Gent), jg. 33, nr. 1, januari-maart 1988, pp. 48-57.

[2] Michel LAVAL, L’homme sans concessions. Arthur Koestler et son siècle, Paris, Calmann-Lévy, 2005, 707 p.

[3] P. TOMMISSEN, ‘Een aforistische bezinning. Het literair expressionisme’, in: De Periscoop (Brussel), jg. VI, nr. 5, 1 maart 1956, p. 1 en p. 8.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche