Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
21 août 2008 4 21 /08 /août /2008 06:43

Het laatste deel van Lode Wils’ uitermate boeiende studie “1830: van de Belgische protonatie naar de natiestaat” verscheen in Wetenschappelijke tijdingen (2007/4). Hij relativeert heel duidelijk de stelling dat vooral taal en godsdienst de oorzaak van de oppositie en van de scheiding waren. De verbittering in België ‘werd vooral gevoed door liberaal verzet tegen het “verlicht despotisch” regime.’

De opstand in Brussel, Leuven en Luik tijdens de laatste dagen van augustus 1830 viseerde de vervanging van het absolutistische regime door een liberaal regime. Dat werd door de unanieme Hollands-protestantse opinie gevoeld of tenminste voorgesteld als een poging om Holland via een parlementaire overmacht te onderwerpen. [De Belgen vormden 62 % van de bevolking van het Verenigde Koninkrijk.]

Het klerikale verzet tegen het Staatskirchentum speelde een heel belangrijke rol, maar duidelijk secundair tegenover de nationaal-liberale stuwing tegen het vorstelijk absolutisme in zijn geheel. De taal speelde daarin een geringe rol, evenals het belastingstelsel. De aangevoelde uitsluiting van de Belgen uit het openbare ambt en vooral uit de leiding van de staat, had er een veel groter aandeel in.

In een voortreffelijk geadstrueerde bijdrage over het tijdschrift Westland peilt Romain Vanlandschoot naar ‘de verhouding tussen literatuur, Vlaamse beweging en collaboratie 1940-1944’. Hij focust op de rol van Filip de Pillecyn en Jef van de Wiele en, van Duitse zijde, op Rolf Wilkening en Hans Teske. Bij de (lange) voorgeschiedenis van het tijdschrift waren ook vooral Gerard Walschap en uitgever Albert Pelckmans betrokken. Vermeldenswaardig is ook de betrokkenheid van Paul de Vree en René Verbeeck, twee redacteurs van het tijdschrift Vormen (1936-1940), zo ook de medewerking van Piet van Aken en Willy Vaerewijck. (Ik heb daar in de loop der jaren meerdere gesprekken over gevoerd zowel met De Vree als met Vaerewijck, en zal daar te zijner tijd aan de hand van mijn aantekeningen ’t en ’t ander over publiceren.)

Luc Vandeweyer publiceert brieven van Ward Hermans aan zijn familie, geschreven na 11 november 1918. Hij voorziet ze van commentaar en schetst aldus gaandeweg een revisionistische visie op het waarheidsgehalte van het ‘martelaarschap’ van de man die de Vlaams-nationalistische geschiedschrijving en hagiografie als ‘houthakker aan de Orne’ inging.

In zijn redactioneel gaat Frans-Jos Verdoodt in op die beeldvorming:

De zogenaamde ‘houthakkers van de Orne’ waren de enkele Vlaamsgezinde fontsoldaten die in 1918 van het oorlogsfront werden verwijderd en naar een (houthakkers)kamp in Normandië werden gezonden. Zij werden pas enkele maanden nà de wapenstilstand van 11 november 1918 gedemilitariseerd. Mede door de o.m. via Hermans verspreide beeldvorming, waren zij martelaren-van-de-goede-zaak, die uitgerekend vanwege hun Vlaamse idealen tot zware arbeid in Franse strafkampen werden verplicht.

Hij stelt vast dat ‘het slachtofferbeeld’ Hermans’ loopbaan ‘steeds heeft vergezeld als een aureool’.

Diezelfde status zou Hermans overigens toelaten om tot bij zijn dood in 1992 een recurrente financiële ondersteuning te verwerven, o.m. vanwege de organisatie Broederband.

&

Vorig jaar publiceerde Bert Govaerts in Wetenschappelijke tijdingen (2007/1) een revelerende bijdrage over ‘Wilfried Borms in Belgisch-Congo. Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie’ (zie Mededelingen, nr. 94 de dato 32 mei 2007, p. 15). Nu behandelt hij ‘De zaak van Rechter Grootaert en de strijd om het Nederlands in Belgisch-Kongo. Een symbooldossier uit de jaren vijftig’ (2008/1). Twee schrijnende dossiers waarin eens te meer onmiskenbaar blijkt hoezeer het Belgische establishment, enigszins schijnheilig verdoken maar alleszins hardnekkig, om politieke redenen weigerde afstand te doen van de impliciet als vanzelfsprekend aanvaarde Franstalige dominantie. Zowel de carrière als het persoonlijke leven van Wilfried Borms en  Jozef Grootaert werden verbrijzeld onder een administratieve pletmolen.

Chantal Kesteloot gaat grondig in op Het kraaien van de haan. Natie en nationalisme in Wallonië sinds 1880 (Gent, 2005), waarin kritiek wordt geleverd op de Encyclopédie du mouvement wallon. Ze komt tot een genuanceerde conclusie die meer dan ooit actueel is (cursivering: HFJ)

Côté wallon, il est en effet courant d’opposer les deux mouvements, insistant sur le caractère ethnique du mouvement flamand d’une part et sur le caractère citoyen du mouvement wallon d’autre part. Cette dichotomie semble d’autant plus justifiée qu’au-delà de la Belgique, l’approche ethnique est plutôt l’apanage du monde germanique tandis que la démarche citoyenne semble surtout privéligiée par le monde francophone. Derrière cette vision figure bien évidemment une vision positive de soi et négative de l’autre, vision qui, à la fois, cadre dans l’espace belge mais aussi au-delà. Le nationalisme de type ethnique est associé à une approche exclusive et anti-démocratique (et donc à l’extrême doite) et le nationalisme de type civique à une démarche inclusive, ouverte et donc démocratique. [...] Cette démarcation entre un nationalisme ‘positif’ et un nationalisme ‘négatif’ a récemment fait l’objet d’une relecture critique de la part de quelques grands spécialistes de la question qui ont montré avec pertinence combien cette opposition stricte était non fondée et combien chaque forme de nationalisme contenait à la fois des éléments de type ethnique et des éléments de type citoyen.

Over ‘Onderduikers en vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog’ publiceert Frank Seberechts, een aanzet tot diepgaander onderzoek. Hij behandelt ‘ODESSA’ als mythe en werkelijkheid; de Vlaamse politieke vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog; het bestaan al dan niet van een Vlaamse ‘ODESSA’-variant; en geeft een summier overzicht van de beschikbare bronnen. Seberechts en Verdoodt bereiden trouwens een studie voor over de uitwijking van Vlamingen naar Zuid-Amerika na de Tweede Wereldoorlog.

Met zijn bijzonder boeiend en vernuftig essay over Elsschot als politiek schrijver heeft Matthijs de Ridder een beslissende bijdrage geleverd (Aan Borms. Willem Elsschot een politiek schrijver, Antwerpen / Amsterdam, Manteau / Meulenhoff, 2007, 232 p., 28,95 €). Dat is ook het oordeel van Luc Vandeweyer, die er in zijn beschouwing over Elsschot en Cyriel Verschaeve op wijst dat Matthijs de Ridder aangetoond heeft hoezeer de romans van Elsschot “aansluiten bij het Vlaams-nationalistische wereldbeeld”.

Vandeweyer onthult dat de fameuze brief waarin Elsschot uitbundig hulde brengt aan Cyriel Verschaeve niet gericht was aan Karel Dillen, zoals tot nu toe algemeen aanvaard werd, maar aan Wies Moens. Hij stelt terecht dat Elsschot na de Tweede Wereldoorlog “meermaals voor toenadering tot de radicaalste vleugel van het Vlaams-nationalisme” koos. Het verbaast mij dat hij in dit verband de naam van Ward Hermans niet eens vermeld.

&

Pieter-Jan van Bosstraeten behandelt de splitsing van de Belgische Socialistische Partij (2008/2). In de literatuur wordt terecht als hoofdoorzaak van de scheiding de interne verdeeldheid inzake het communautaire dossier genoemd. Andere oorzaken worden echter veelal verzwegen of onvoldoende belicht. Van Bosstraeten maakt dankbaar gebruik van twee verklarende documenten die tot op heden nauwelijks behandeld werden in de historiografie, nl. de analyserapporten die door de socialistische partners werden opgesteld na hun scheiding. Die twee cruciale documenten tonen aan dat de grote onenigheid omtrent enkele andere dossiers (bijv. de waterverdragen met Nederland, de staalnijverheid en Zaïre) eveneens hebben bijgedragen tot de splitsing, zo ook het duidelijke verschil in stijl en aanpak.

Onder de neutrale titel ‘Het Belgische en Brusselse model ter discussie’ wijdt Harry van Velthoven een grondige, commentariërende bespreking van de bundel Waar België voor staat – een toekomstvisie  (Initiatiefnemers: Geert Buelens, Jan Goossens en David van Reybrouck, Antwerpen / Amsterdam, Meulenhoff / Manteau, 2007, 285 p., 19,95 €).

De initiatiefnemers van dit boek behoren tot de post-68 generatie, geboren in 1971. Uit het voorwoord blijkt een aantal van hun bekommernissen: verwerping van het Vlaams-nationalisme en het separatisme (de jongste jaren geen taboe meer, naar analogie met het ‘federalisme’ een paar decennia voordien), een post-Belgische reflex maar zonder heimwee naar het unitaire België, aan Franstalingen tonen dat ook in Vlaanderen genuanceerd over deze problematiek wordt gedacht. Inleidend worden een aantal rake kanttekeningen gemaakt. Met ‘Belgitude’ bouwt men geen samenleving op. België voorstellen als een “antidotum voor het bange, verzuurde en bruingebakken Vlaanderen” is een zwaktebod, want het “negeert de talrijke vormen van onverdraagzaamheid, misprijzen en racisme in Franstalig België”. De rekrutering van de auteurs gebeurde echter vooral in gelijkgezinde kringen, zoals de Pavia-groep, wat eerder tot een pensée unique dan tot intellectuele confrontatie aanleiding gaf.

‘Het officiële taalgebruik in Vlaanderen in de negentiende eeuw’ (zowel dus in het Verenigd Koninkrijk als in België) wordt door Lode Wils in kaart gebracht. Hij reageert daarbij op de hem zo kenschetsende manier op een aantal beweringen en stellingen van Roland Willemyns en het Centrum voor Linguïstiek van de VUB. De vlijmscherpe conclusie van zijn uiteenzetting, kennelijk bedoeld als magistrale les, luidt kort en bondig:

Het is nodig dat de sociolinguïsten kennisnemen van het vele werk dat door historici werd en wordt verricht. Alleen zo kunnen ze zelf een nuttige bijdrage leveren.

Toen Herman Vos voor de Belgische Werklieden Partij koos, koesterde hij wellicht de hoop dat een groep gelijkgezinde Fronters met hem de stap zou wagen. Tevergeefs. Luc Vandeweyer toont dit aan in een onthullende ‘De vertrouwelingen van Herman Vos in 1933. Een brief over zijn afscheid van het Vlaams-nationalisme’.

De literaire en politieke persoonlijkheid van Filip de Pillecyn (zie ook de studie van Romain Vanlandschoot over Westland in WT 2007/4 ) wordt door Pieter van Hees behandeld in een aantal kanttekeningen bij de derde aflevering van de Filip De Pillecyn Studies (hoofdredacteur is de slavist Emmanuel Waegemans).

 

Wetenschappelijke tijdingen op het gebied van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Driemaandelijks tijdschrift uitgegeven door het ADVN, jg. LXVI, nr. 4, september 2007; jg. LXVII, nr. 1, maart 2008; nr. 2, juni 2008. Abonnement: 20 €, over te schrijven op rekeningnummer KBC 733-0215290-77     BIC KREDBEBB     IBAN BE14 7330 2152 9077  t.n.v. ADVN vzw met vermelding “Wt-abonnement”. ISSN 0774532X.

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche