Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
18 août 2008 1 18 /08 /août /2008 20:51
Anderen hebben zijn carrière (al dan niet correct) in de media gereconstrueerd. Collega’s hebben afscheid genomen van “de grootste”. Hij werd bij leven uitgeroepen tot “theatermonument”. Maar gezelschapsdirecteurs en andere ambtenaren hadden hem gevangengezet in een krijtkring. Hij was een vreemdeling, hij werd gauw een banneling in eigen land. Maar het publiek bleef hem op handen dragen.

Mijn verste herinneringen aan Julien Schoenaerts: die onnavolgbaar lijzig uitgesproken opmerking in een Vlaamse film over het ‘négligé’ van een wulpse Ivonne Lex; een eerste ontmoeting aan een tafeltje in Casa Roca aan de Meir te Antwerpen (thans: C&A), waar grootvader me meegenomen had. Die eerste ontmoeting dateert van 1955. Julien was toen al een begrip. Bij de KNS had hij o.m. met Fred Engelen gewerkt (de regisseur wiens twee dichtbundeltjes geïllustreerd werden door grootvader). Ook in de kleinste rol was hij verpletterend.

In de tweede helft van de jaren zestig, toen hij in de Amsterdamse Stadsschouwburg bij de Nederlandse Comedie speelde, kwam hij soms in de (oude) VECU (toen nog met ingang aan de Wijngaardstraat) even binnenwippen om te pokeren. Dat ‘even’ dobbelen (in het Antwerps: ‘chapeau spelen’) duurde dan wel tot de vroege uurtjes. Om het halfuur kondigde Julien zijn vertrek aan. De (Amsterdamse) taxi wachtte geduldig.

Maar we zagen elkaar ook in minder profane omstandigheden. Zo herinner ik me levendig een lang theologisch gesprek met de toen al (in 1966 of 1967, bij de plechtige communie van zijn zoon Bruno) politiek bepaald niet-correcte pater Marcel Brauns S.J. (1913-1995), wiens doctoraat aan de Theologische Faculteit van de Sociëteit van Jezus te Leuven (Per modum intellectus, ut verbum) ging “over de leer van de voortkomst van den zoon door verstandsteling en haar juiste betekenis bij en naar den H. Thomas van Aquino”, een doorwrocht traktaat dat Brauns luchthartig afdeed als een “proeve van scholastieke helderheid”… De onstuimige jezuïet was gebiologeerd door het mysterie van de H. Drievuldigheid: Het geheim der Goddelijke Persoonlijkheden. Ja, dat was wel van aard om Julien te fascineren.

In 1970 ging Julien sympathie betuigen aan de stakende mijnwerkers in Limburg. Met Nic van Bruggen, Paul de Vree en enkele andere leden van het steuncomité dat we gevormd hadden om de stakers financieel te steunen, reden we naar de gelegenheid waar stakingsleider Gerard Slegers zijn hoofdkwartier had gevestigd. Was dat in Waterschei of in Genk, ik weet het niet meer. Maar dat Julien present was, vergeet ik nooit. We stonden al op het punt huiswaarts te keren, toen Schoenaerts plots de indrukwekkende rijen rijkswachters in gevechtstenue, ingezet om het “recht op arbeid” te waarborgen, waardig en rustig tegemoet wandelde. Het was al donker en er hing iets van mist in de lucht. Versluierd als het ware door de oranje gloed van de natriumlampen en de kille, grijze damp bij valavond, baadde het tafereel in een ronduit surrealistische sfeer. Op het ruime plein voor de ingang van de mijn schreed Julien traag voort, plechtig declamerend uit een Griekse tekst (was het toen al de apologie van Socrates?), op eerbiedige afstand gevolgd door zijn destijds onafscheidelijke, rijzige vleugeladjudant, de fluitspelende Cochius.

Julien woonde een aantal jaren in dezelfde herenwoning als Pruts (waar trouwens ook Nic van Bruggen en Luc Boudens ooit een appartement hadden en Hugo Claus een atelier betrok), zodat we in uitgesteld relais toch wel altijd in contact bleven.

In het begin van zijn gevulde carrière speelde hij in Herman Wouks Muiterij op de Caine een lichtjes gestoorde matroos en in Meeuwen sterven in de haven was hij een zwervende vreemdeling op de vlucht voor de politie. Hij schitterde in stukken van Beckett en Pinter, speelde Socrates en Kaspar Hauser.

Julien was een prille Maagd, een uitgebrulde Leeuw die het evenwicht van de Balans nog niet nastreeft. Karel Jonckheere stipt aan dat de Maagd zowel de diepten van het onderbewustzijn aftast als de hoogten probeert in te palmen. Dat is Julien op het lijf geschreven. Zijn hele carrière, zijn leven dus (hij was immers geen toneelspeler, hij leefde in een wereld die zijn domein was) stond in het teken van helle- en hemelvaart. Hij oscilleerde voortdurend tussen zweefvlucht en zwaartekracht, geraakt als hij was zowel door de vleugelslag van de saturnische melancholie als door de vuurpijlen van de stralende zon. Zonnekind en lunatieker tegelijk. Standvastig en wijs – en hulpeloos ook, in zijn drang om het kinderlijke te bewaren.

Hij was een zwervende vreemdeling, jawel. De media spraken van “psychische problemen”. Maar die zijn slechts de natuurlijke neerslag van een verziekte maatschappij die het hebben boven het zijn stelt.

“Een kleine man die een heel podium vulde”, inderdaad; een groot man die wist dat je als acteur (en ook als mens) “van alle onzekerheden zeker moet zijn, en van alle zekerheden onzeker”. Een mens die wellicht het geheim der persoonlijkheden doorgrond had.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche