Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
6 août 2008 3 06 /08 /août /2008 02:54

Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging 1950-1960 bundelt de gereviseerde en uitgebreide versie van de papers die op het gelijknamige congres, georganiseerd in februari 2006 door de Universiteit Antwerpen, door onderzoekers uit verschillende disciplines werden gepresenteerd en plaatst ze met de inleidende stukken van Ed Taverne en Els Witte in een bredere nationale en internationale context.

De redacteurs onderstrepen dat Vlaanderen in de jaren vijftig allerminst ‘louter een oord van “loomheid” en vervlakking”’ was, zoals destijds beweerd werd door Hugo Claus. De mythe dat de jaren vijftig ‘gezapig, saai en behoudsgezind’ leeft in Nederland en Vlaanderen nog altijd.

Terwijl in Nederland onderzoekers definitief afscheid hebben genomen ‘van het beeld van de jaren vijftig als een periode van verstarring en restauratie’, is de mythe van de gezapige jaren vijftig in Vlaanderen ‘tot dusver weinig op de proef gesteld’.

Els Witte (‘Vlaanderen in de fifties. Een maatschappelijk-politiek overzicht’) benadrukt het belang van de publicatie:

Voor het eerst zal systematisch aandacht worden besteed aan de vernieuwende, progressieve, alternatieve stromingen die zich in de jaren vijftig weliswaar nog in de marge van de Vlaamse samenleving doen gelden, maar een tegenstem vertegenwoordigen naast het dominante discours van het establishment.

Ed Taverne (‘Pakhuis jaren vijftig. De ontdekking van de fifties in Nederland’) stelt dat Cobra en de Vijftigers in hoge mate verantwoordelijk zijn voor het beeld van de jaren vijftig ‘als het decennium van saaie somberheid en verveling’:

Met hun optreden en uitspraken hebben zij ‘de jaren vijftig’ gemaakt tot een metafoor die op ingenieuze wijze werd ingezet om het experimentele en vernieuwende karakter van hun schilderijen en gedichten beter in de publiciteit te brengen.

Hij wijst er ook op dat er met betrekking tot de jaren vijftig een nieuwe opvatting thans veld wint, nl. ‘die van de take-off van mondiaal maatschappelijke veranderingen en van de opkomst van alledaagse globalisering’.

Aan het eind van de jaren vijftig voltrokken zich in de West-Europese samenlevingen ingrijpende maatschappelijke veranderingen die, vanuit het standpunt van de huidige sociale wetenschappen, hebben geleid tot een ‘Strukturbruch der Moderne’. Door de jaren vijftig te bestempelen als een grote cesuur die de periode van gisteren scheidt van die van vandaag, opent zich een geheel nieuw veld van historisch onderzoek waarvoor het Nederlandse (en Vlaamse?) programma nog moet worden geschreven.

&

De architectuur komt aan bod in de bijdrage van Dennis van Mol, ‘Tentjes, appelsienkosten en geribde tuinslagen. De niet alledaagse projecten van architect en ontwerper Willy Van Der Meeren’, terwijl Jo Braeken in ‘Met zicht op de horizon’ de aandacht vestigt op Renaat Braem en het stedelijk denken in de jaren vijftig. In dat verband mis ik wel een al was het maar terloopse verwijzing naar Braems’ belangstelling voor de Art Nouveau. Bekende hij niet expressis verbis dat hij graag een wandelingetje ging maken in Zurenborg? Hij zou trouwens met succes de Cogels-Osylei te Berchem in de Commissie voor Monumenten ter klassering voorstellen.

De film wordt behandeld door Daniël Biltereyst (‘God bescherme Amerika. Over de disciplinering van film in Vlaanderen in de jaren vijftig’). Het beeld dat hij schetst is nogal eenzijdig. Alle grote Amerikaanse hits werden inderdaad in Vlaanderen getoond, maar Biltereyst heeft kennelijk geen oog voor de Franse cinema, die in de jaren vijftig nog in de roulatie ruim aan bod kwam. Bovendien werden destijds in het commerciële circuit het soort films vertoond dat vandaag in het beste geval een kans krijgen in alternatieve zalen of filmclubs. Bij zijn terechte kritiek op de katholieke bemoeinissen vergeet hij echter de positieve aspecten te vermelden. Ik denk hier aan de vertoningen georganiseerd door pater Burvenich in Elkerlyck aan de Frankrijklei te Antwerpen. Films als Le beau Serge (Chabrol, 1958), Ascenseur pour l’échafaud (Malle, 1958), Les Cousins (Chabrol, 1958), À bout de souffle (Godard, 1959) heb ik destijds in Antwerpse filmzalen gezien. Dergelijke vernieuwende producties halen vandaag in geen geval het gewone circuit.

De ‘Nieuwe “klassieke” muziek in Vlaanderen. Karel Goeyvaerts’ omweg naar 1960’ wordt treffend behandeld door Yves Knockaert.

Luk van den Dries richt zijn aandacht op het Vlaamse theater in de jaren vijftig en meer bepaald op de rol van de kamertheaters. Hij er wel erg (subjectief) selectief in zijn keuzes. Hij vermeldt niet eens het Nederlands Kamertoneel te Antwerpen of Piet Sterckx, de eerste vertegenwoordiger in Vlaanderen van het absurdistische theater, die nota bene in 1958 de Driejaarlijkse Staatsprijs haalde met Slakken en naalden (1957) – wat destijds heel wat ‘gedurfder’ was (en bijgevolg thans vermeldenswaardig is) dan het bekronen van de bijv. door het establishment reeds met trommels en trompetten binnengehaalde Hugo Claus.

De Vlaamse strip komt aan bod in ‘Prettige prentjes’, de bijdrage van Pascal Lefèvre die terecht wijst op de baanbrekende publicaties van Danny de Laet (behalve dan De zevende kunst voorbij. Geschiedenis van het beeldverhaal in België, in meerdere talen uitgegeven door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Dienst Voorlichtingen der Diplomatieke posten, 1979, 395 p.) Lefèvre ignoreert ook het doorslaggevende gewicht van strips in de strijd voor lezerswerving van Vlaamse kranten.

Geert Buelens heeft het over Jan Boon en de aandacht voor volksopvoeding en literatuur op de Vlaamse televisie (‘In den beginne was het Woord’), een eerste aanzet tot een synthese, die meer zegt over Jan Boon dan over de programmering. Het is duidelijk dat dit onderwerp nog maar slechts aangesneden is en dat verder onderzoek noodzakelijk is.

De literatuur komt uitvoerig aan bod in boeiende bijdragen: ‘Hugo Claus, experimenteel kunstenaar? (Katrien Jacobs), ‘Hugo Claus, idool en symbool’ (Georges Wildemeersch),  ‘De slechte boeken van madame Manteau’. Een niet-confessionele uitgeverij in de ban van de kerk?’ (Kevin Absillis), ‘“Kajotters zijn geen visschers of geen voetballisten, maar apostelen”. De vooroorlogse wortels van Jan Walravens’ naoorlogse avant-gardisme’ (Jos Joosten), ‘Een literatuur in hemdsmouwen. Louis Paul Boon en de populaire cultuur in de jaren vijftig’ (Kris Humbeeck).

Ook hier is de eenzijdigheid après coup troef, net of Boon en Claus het alternatieve beeld van de jaren vijftig bepaald hebben. Door aarzelend historisch perspectief en soms gebrekkig inlevingsvermogen, vooral door misleiding onder invloed van inzichten post factum, blijft een evenwichtige visie op de jaren vijftig in enkele bijdragen ver te zoeken.

Twee (bijzonder lezenswaardige) bijdragen horen feitelijk beter in de context van de jaren zestig: ‘“Alle grote dingen begonnen in 1957”. Kunstkring Celbeton, artistiek laboratorium in Dendermonde’  van Carien Gibcus, en  ‘“Kerouac en zo”. Vlaanderen, de Beat Generation en het tijdschrift Labris’ van Jaap van der Bent.

Representatiever dan Celbeton voor het klimaat van de jaren vijftig in Vlaanderen zijn uiteraard de groeperingen De Nevelvlek (Antwerpen) en Raaklijn (Brugge) en vooral het kunstencentrum Taptoe (Brussel) en G-58 (Antwerpen). Meer dan Celbeton hebben ze een reële publieksuitstraling gekend, wat er toe leidde dat hun werking al meermaals gedetailleerd in kaart gebracht werd, en zodoende het voorwerp van vrij grondig onderzoek werd. Dat is niet het geval van Celbeton, een ‘artistiek laboratorium’, dixit terecht Carien Gibcus. Inderdaad, het ruimere publiek werd niet bereikt. Celbeton bleef een ontmoetingsplaats voor ingewijden. In die zin faalde Adolf Merckx in zijn opzet.

In de jaren negentig heb ik de werking van Celbeton tot in 1964 onder de loep genomen, mede dank zij onuitgegeven materiaal (cf. Klemmen voor koorddanser. Henri-Floris Jespers over Gaston Burssens. Speciale aflevering van Revolver, XXIV, nr. 2 [1997], pp. 47-64.) De eindverhandeling van Carien Gibcus, Te ernstig, te speels, te onvatbaar. Een institutionele en historisch-contextuele analyse van de opkomst en ondergang van kunstkring Celbeton, Dendermonde (1957-1975) (Rijksuniversiteit Groningen, 2004) is jammer genoeg ongepubliceerd. In haar voortreffelijke bijdrage brengt zij de conclusies van haar onderzoek in een notendop.

De bijdrage van Jaap van der Bent handelt over de jaren zestig. Labris, een uiterst marginaal tijdschrift uit de jaren zestig, heeft zijn betrekkelijke naroem in litteris (ten onrechte) haast uitsluitend te danken heeft aan de (kortstondige) medewerking van Marcel van Maele en Lucienne Stassaert. De bijdrage van Jaap van der Bent kan als basis dienen voor een heilzame revisie van de gangbare gemeenplaatsen. Hij geeft Jef Bierkens (alias Max Kazan) wat hem toekomt:

Opvallend is voorts het feit dat Bierkens vooral waardering toont voor Kerouacs meer experimentele en hermetische boeken, zoals Dr. Sax (1959). Met deze voorkeur liep Bierkens in het midden van de jaren zestig ver vooruit op de destijds spaarzame Engelse en Amerikaanse critici van Kerouacs boeken, die diens proza-experimenten pas later begonnen te waarderen.

[…]

Terwijl men in Nederland bij Kerouac altijd meteen aan On the road dacht, hadden de Vlaamse auteurs blijkbaar veel meer op met Kerouacs experimentelere werk, dat hier en daar zelfs aan de grote modernisten William Faulkner en James Joyce doet denken. Men kan zich afvragen waar die voorkeur vandaan komt. Heeft men in Vlaanderen altijd meer opengestaan voor het meer experimentele, het meer barokke en surreële dan in Nederland, en heeft dat mogelijk te maken met het feit dat men in Vlaanderen voor inspiratie al langer ook naar Parijs kijkt?

&

Dat tijdschriften als Het Cahier (en ‘De Nevelvlek’), Taptoe, Gard Sivik en De Tafelronde in de bundel nergens aan bod komen is natuurlijk een lacune.

Betreurenswaardiger is het ontbreken van beschouwingen over de plastische kunsten. De evolutie van de perceptie van de plastische kunsten is in Vlaanderen altijd vrij bepalend geweest voor de ontwikkeling van artistieke perceptie in het algemeen. Het Comité voor Artistieke Werking (Antwerpen), de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst te Gent en G58 zijn in dat verband erg representatief voor de jaren vijftig.

&

Nog even aanstippen dat Kevin Absillis en Katrien Jacobs terecht stellen:

Tot slot moet worden opgemerkt dat het gevaar op nieuwe vertekeningen van de historische werkelijkheid reëel is, wanneer vrijwel uitsluitend aandacht wordt besteed aan de vernieuwing en de modernisering van het culturele leven in de jaren vijftig. Dit boek heeft evenwel niet de intentie het bestaande beeld van restauratie en verzuiling, toch en ascese, saaiheid en bekrompenheid volledig af te wijzen, maar wil aantonen dat de jaren vijftig, die in de krant en op televisie nog in zwart-wit werden gevat, kleurrijker waren dan tot dusver werd aangenomen.

Henri-Floris JESPERS

 

Kevin ABSILLIS & Katrien JACOBS (Red.), Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging 1950-1960, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2007, 282 p., 22,90 €.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche