Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
1 août 2008 5 01 /08 /août /2008 08:36

Gaat ge mij nu heus laten zitten met Vl. Arbeid? Ge hebt er wellicht nooit om gedacht dat ik dit tijdschrift recht houd om uwe medewerking.”*

 

Toen Jozef Muls (1882-1961) vruchteloos in de boekhandel een exemplaar van Het Sienjaal zocht, kwam dat Van Ostaijen ter ore en hij bezorgde hem “het onvindbare boekje” spontaan aan huis. Bij die gelegenheid nodigde Muls hem uit de kroniek der Nederlandse letteren in Vlaamsche Arbeid voor zijn rekening te willen nemen.[1]

Dank zij het aanbod van Muls kon Van Ostaijen nu de volle maat geven van zijn literair-kritische en kunsttheoretische talent. Vanaf het nummer van juli-augustus 1923 verschenen geregeld bijdragen van hem in Vlaamsche Arbeid. Om allerlei redenen zag hij bij herhaling zijn medewerking niet meer zitten, maar telkens opnieuw werd hij met geduld en diplomatie opgevangen en gestimuleerd door Muls die hem carte blanche gaf, wat ongetwijfeld een belangrijke morele steun betekende voor de zelfbewuste dichter die ondanks zijn ogenschijnlijke ongenaakbaarheid een diepe behoefte aan erkenning had.

Het débâcle van Sienjaal

Van Ostaijen had de hoop gekoesterd over een eigen tijdschrift te beschikken, maar met de miskraam van Sienjaal was die droom in rook opgegaan.  In januari 1920 was er al sprake van een “binnenkort” te verschijnen Sienjaal, une revue d’extrême avant-garde”, aldus Prosper de Troyer in een brief aan Marinetti. (Borgers : 405) Na het bezoek van Oscar Jespers aan Van Ostaijen in Berlijn, kwam dit project in oktober 1920 in een versnellingsfase, maar in de eerste maanden van 1921 stond het vast dat het er niet zou komen. Daarbij hebben artistieke meningsverschillen, financiële belangen en karakteriële onenigheden een rol gespeeld. Paul Joostens stak de draak met het “geëmancipeerde kubisme” en de “ontindividualisering” - de twee sleutelbegrippen van de Ostaijense kunstbeschouwing die voor de gebroeders Jespers evangelie waren –  en hij weigerde het manifest van Sienjaal te onderschrijven. In diezelfde periode beschuldigde hij Van Ostaijen ervan de sequentie “Asta Nielsen” uit Bezette stad geplagieerd te hebben van een van zijn eigen gedichten en schreef hij kluchtige teksten waarin hij met verve de triomfantelijke terugkomst van de dichter spottend ensceneert. (Buyck: 147-148, 159-161). Bovendien stelde hij alles in het werk om de samenwerkende vennootschap Novy - die met de redactie van Sienjaal en met de “Bond zonder gezegeld papier” samenviel - te ontbinden om er financieel voordeel uit te halen. (Jespers 2001: 81-85 )

 

Nieuwe bundel bij De Sikkel?

Toen Van Ostaijen na zijn breuk met Emmeke midden mei 1921 naar Antwerpen terugkeerde, was de sfeer binnen zijn vriendenkring grondig verpest. Midden juli is het uitzitten van de gevangenisstraf dat hem boven het hoofd hangt, afgewenteld. De bitterheid om het onbegrip waarmee Bezette stad ontvangen wordt, ook door de meeste vrienden, blijft wel knagen. Het vooruitzicht in legerdienst te moeten is ook al niet hartverheffend en zijn mediocre financiële toestand ontzegt hem elke armslag. Dat alles versterkt zijn endemische neiging tot quiëtistische roerloosheid. Op 7 september deelt hij gedecideerd Fritz Stuckenberg mee:

“Gegenüber der Interesselosigkeit der Bürger und der infantilen Epigonerie der ‘Ästheten’, bin ich zu dem Entschluß nicht mehr zu publizieren gekommen.” (BULHOF 1992: 149).

Nochtans blijkt nu uit de tot hiertoe onuitgegeven briefkaart van Eugène de Bock van 1 november 1921 dat Van Ostaijen hem een bundel ter publicatie bij De Sikkel aangeboden had. De Bock kan echter de uitgave niet aanpakken. Hij moet minstens tweehonderd exemplaren kunnen verkopen om de kosten te dekken, en heeft te veel werk “om voor deze bundel afzonderlijk met de nodige stuwkracht propaganda te maken. Het spijt me en ik stel me voor om over een paar maanden nog op de zaak terug te komen, als ge er dan nog iets voor voelt. Zal ik de bundel hier ter beschikking houden of zal ik hem met de post terug zenden?”. De Bock vraagt wel een paar gedichten uit de bundel, of een groteske, voor het Ruimte-jaarboek (dat er uiteindelijk niet kwam).[2]

 Vlaamsche Arbeid

Toen Van Ostaijen in het nummer van september-oktober 1923 van Vlaamsche Arbeid zijn eerste bijdrage publiceerde – “Modernistiese dichters”, een beslissende interventie in het zogenaamde expressionismedebat (Buelens: 159-209) - had het tijdschrift al een lange en ietwat bewogen geschiedenis achter de rug.

Het werd in 1905 gesticht door enkele leden van het gilde “Eigen Taal, Eigen Zeden” als voortzetting van het strijdend Vlaamsgezind studentenblad Jong Antwerpen, dat na veertien jaar in 1901 opgehouden had te verschijnen.

Het nieuwe literaire tijdschrift zou zich tot een algemeen publiek richten en profileerde zich uitdrukkelijk als “een sterke en bewuste uitdrukking van alle jong katholiek pogen”. Muls en Karel van den Oever waren aanwezig op de stichtingsvergadering. De laatste bedacht de naam en werd redactiesecretaris. (Muls 1929: 119-120) Vanaf de tweede jaargang nam Muls de leiding waar van het blad, tot het in 1930 haast onopgemerkt verdween.

In 1908-1909 werd André de Ridder redactiesecretaris en traden nieuwe medewerkers toe: Firmin van Hecke, Gust. van Roosbroeck, Hugo van Walden en Paul Kenis. Vlaamsche Arbeid zou voortaan zijn “het bijzonder tijdschrift der Vlaamse jongeren”. Het katholieke standpunt geraakte enigszins op de achtergrond en in de loop van de jaargang kwam het tot een conflict. De Ridder nam ontslag als redactiesecretaris én als medewerker. Enkele maanden later lanceerde hij De Boomgaard.[3] Beide tijdschriften hebben een eigen rol gespeeld in de vernieuwing van de Nederlandse letteren.

“Over het algemeen stond de Boomgaard misschien hoger wat het artistieke gehalte betrof; zijn medewerkers vormden een meer gesloten groep, die in doelbewust streven naar vernieuwing dieper en levendiger invloed heeft uitgeoefend. Maar Vlaamsche Arbeid was ruimer en veelzijdiger; zijn invloed strekt zich meer in de breedte uit en heeft langer geduurd.” (Kenis: 36)

De publicatie van Vlaamsche Arbeid werd onderbroken door de oorlog, maar Muls liet in november 1919 het tijdschrift opnieuw verschijnen. Dat was geen sinecure. Hij had ondertussen vernomen dat Eugène de Bock de verschijning van het eerste nummer van Ruimte voor 1 januari 1920 had gepland. Het heropstarten van Vlaamsche Arbeid was geen sinecure, en daarom stelde Muls op 26 september 1919 De Bock een fusie voor, maar daar werd begrijpelijkerwijze niet op ingegaan.

Na twintig nummers in elf afleveringen was het duidelijk dat Ruimte niet meer zou verschijnen. De laatste aflevering, nummer acht van de tweede jaargang, is gedateerd oktober 1921.

In het voorjaar van 1922 namen een aantal medewerkers, op uitnodiging van Muls, deel aan een redactievergadering van Vlaamsche Arbeid (de moeilijk handelbare en bij wijlen twistzieke Brunclair, die heel wat herrie had veroorzaakt in de schoot van Ruimte, was met opzet niét uitgenodigd – al had hij reeds in Vlaamsche Arbeid gepubliceerd). Het werd een onstuimige bijeenkomst, maar dank zij de “indringers” – dixit Filip de Pillecyn - (Van Passel: 45-46; 69-70) ging het blad nu wel in litteris een historische rol spelen. Dirk Vansina blikte in 1942 terug:

Het liep niet lang aan of Vlaamsche Arbeid werd een expressionistisch orgaan waarin vooral de kronieken van Paul van Ostaijen, Marnix Gijsen, Brunclair en Couteele opgang maakten. Wel ging Muls zelf niet naar het voorbeeld van Van den Oever tot de nieuwe gelederen over. Zijn bijdragen lijken wel erg mat naast de vaak sensationele en haast altijd agressieve artikels van zijn beschermelingen.”

(Muls 1942: 18)

De  diepgelovige Muls had in Parijs een tijdlang de theoloog Jacques Maritain niet alleen haast wekelijks bij Léon Bloy ontmoet maar ook thuis bezocht. In de jaren twintig stond hij echter nogal sceptisch zoniet wantrouwend tegenover de heroplevende katholieke frontvorming in de kunst.

“Ik bevond mij werkelijk buiten die nieuw-opkomende katholieke stroming te staan, ietwat beschaamd dat ik het niet helpen kon. Het wilde mij nochtans voorkomen alsof dit litteraire katholicisme een mode ging worden, zoals het kamer-anarchisme in de jaren ’90 een mode geweest was. Ik kon mij niet ontveinzen dat het katholicisme ook eindelijk in de literatuur misbruikt ging worden, zoals het zoolang reeds in de politiek misbruikt werd, nu er niet langer slechts katholieke gelovigen waren die ook wel schreven bij Gods genade, zoals Barbey d’Aurevilly het gedaan had, maar nu men kon spreken van katholieke dichters zoals men spreekt van katholieke ministers in een nationaal ministerie. Het werd voor mij zeer de vraag of er tegen die dichters, die de dogma’s en den Roomse geest in literatuur omzetten niet eens zou moeten worden opgekomen en de vraag stelt zich nog dringender, nu ik het thans beleef dat de Paus optreedt in Frankrijk tegen het misbruik van het katholicisme in de politiek[4].” (Muls 1929: 130)

&

Uit zijn briefwisseling met de redactie van verscheidene tijdschriften blijkt genoegzaam dat Van Ostaijen - die zich voortdurend onbegrepen voelde - niet alleen erg principieel te werk ging, maar bovendien de publicatie van zijn teksten haast dwangmatig op de voet volgde, en dat was ook nu het geval. Elke vertraging, elke zetfout maakte hem wrevelig, en stekelige ontboezemingen waren dan nooit uit de lucht.

Begin 1927 leed hij reeds zwaar aan zijn ziekte, wat zijn prikkelbaarheid nog verhevigde. Vlaamsche Arbeid verscheen erg onregelmatig en die gang van zaken irriteerde hem mateloos, zodat hij ten einde raad rechtstreeks contact opnam met de drukker die blijkbaar zijn woede nog aanwakkerde. Toen nu bleek dat hij tevergeefs heen en weer gelopen had om toch maar drukproeven [5] te bemachtigen, en bovendien op de drukkerij[6] niet alleen vernomen had dat er al altijd problemen waren met Muls, maar dat het ook klachten van abonnees regende, ventileerde hij op 14 januari 1927 zijn ergernis in een lange brief aan zijn vaderlijke hoofdredacteur. Hij onderstreept dat hij “kwantitatief de bijzonderste medewerker” van Vlaamsche Arbeid is geworden en dat het hem spijt “dat deze inspanning zo in het ijle moet verloren gaan”. Hij biedt wel zijn diensten als redactiesecretaris aan.

 “Het spreekt vanzelf: het is uw tijdschrift en ik denk er niet aan daarin enige verandering voor te stellen. Maar indien u, te zeer opgeëist door andere zorgen, niet altijd even snel als het nodig is voor het in-mekaar-zetten van V.A. kunt zorgen, dan, meen ik, moest u zich reeds lang een ‘geschäftstüchtig’ redactiesecretaris hebben toegevoegd, iemand die het, overigens niet gezellig werk, van de drukkerij-zaken afhaspelt. Ik vraag niet naar deze eer te hebben. Ik wens alleen zoveel orde als mogelijk. (…) Is er niemand anders, dan doe ik het gaarne en de ruggenspraak schijnt me nu gemakkelijk: ik loop even bij u binnen.”

Hij tekent in de overtuiging dat Muls de brief niet anders zal interpreteren “dan in de zin van een dienstwillige belangstelling voor uw tijdschrift, ook mijn spreektribune”. (Borgers: 790)

Muls’ antwoord op deze brief is verloren gegaan, dacht Gerrit Borgers. Onlangs dook hij echter op in een particuliere verzameling. Muls wachtte zowat een week alvorens op 21 januari 1927 te reageren. Zowel de grafie als een aantal slordigheden verraden enige opwinding en/of moeheid.

Hij stelt vast dat Van Ostaijen in de Rodestraat bij de duivel te biechten is gegaan. De drukker mag misschien klachten hebben, maar hij is evenzeer aansprakelijk voor de trage gang van zaken. Muls zou wel graag een redactiesecretaris hebben. Hij heeft er trouwens al gehad, maar ze gaven het op:

“De enige die nooit moe werd van onder het gareel van Vl. Ar. te lopen dat ben ik en wanneer ik telkens het werk uit Van den Oever uit De Ridder uit Couteele zijn handen [niet] weer terug had overgenomen zou Vl. Ar. sinds lang niet meer bestaan. Ik sta dus sceptisch tegenover een nieuwe redactiesecretaris. De abonnees… die klagen nooit het zijn de 75 van de regering en de andere die door alle weer V.A. getrouw bleven.”[7]

Couteele had het secretariaat van de redactie waargenomen van eind 1920 tot november 1922. Van bij het begin van hun samenwerking was Muls geïrriteerd door het dominerende optreden van zijn jonge maar zelfverzekerd, ietwat betweterige en alleszins ambitieuze medewerker. Couteele vond dan weer dat de klachten van Muls over zijn “alleenheerschappij” onrechtvaardig waren. Net al Van Ostaijen beschouwde hij zich als het boegbeeld van het blad. Als gevolg van allerlei onenigheden – niet alleen van materiële aard maar ook wat het profiel van het tijdschrift betreft – bood hij spontaan zijn ontslag aan. Tot een breuk met Muls kwam het evenwel niet, en Couteele bleef onder allerlei pseudoniemen aan het blad meewerken. (Vandaele: 179-192)[8] 

Was de bezadigde Muls er zich ook intuïtief bewust van dat ook zijn “waarde vriend” Van Ostaijen niet geheel vrij was van enige dwingende neiging tot “alleenheerschappij”? Wat er ook van zij, hij voelde zich wel gekrent door de zachte verwijten van de dichter voor wie hij een vaderlijke én onvoorwaardelijke kameraadschappelijke genegenheid koesterde.

Ik geloof dat ge de arbeid die ik nu reeds zo vele jaren aan het tijdschrift geef moogt appreciëren. Stel u voor dat ik alles minstens drie keer te lezen heb en dan de briefwisseling met medewerkers die niet kunnen opgenomen worden die raad vragen enz.”

Muls voegde in de brief 200 F, het aandeel van Van Ostaijen in de subsidie van de Provincie Antwerpen die Muls ontvangen had. Brunclair kreeg 100 F, zo ook Karel Albert, en Muls hield 100 F voor zijn eigen onkosten. [9] (Het dient hier terloops aangestipt dat Muls het tijdschrift ook financieel rechthield.)

Twee dagen later, op 23 januari, antwoordde Van Ostaijen dat het hem speet dat zijn brief aanleiding was “tot een verkeerde interpretatie”. Het was immers geenszins zijn bedoeling de inzet van Muls te minimaliseren, alleen maar, “zonder pretenties”, “enige, bescheiden hulp” aan te bieden. Gelet op de slechte ervaringen van Muls met vorige redactiesecretarissen, insisteert hij niet, integendeel: hij neemt alles terug, ook zijn voorstel, en dankt voor ”de bijlage”. (Borgers: 791)

Muls antwoordde meteen met volgende, eveneens onuitgegeven brief:

Antwerpen, den 24/ 1/ 27

Waarde vriend

Ik heb uw brief helemaal niet kwalijk genomen. Wat mij ergerde was de valse voorstelling uit de Drukkerij en dat heeft mij wellicht wat ontstemd. Het was ook niet mijn inzicht uwe hulp af te wijzen ik wilde u maar enkel doen inzien dat het niet precies “a good job” was Vl. Ar. te bezorgen.

Mag ik er dan nog op rekenen dat ge de verzen voortaan zoudt lezen? Ik zend ze U alvast hierbij.

Die zeker moeten opgenomen krijgen 1

Die voor de scheurmand zijn krijgen O

Die in aanmerking kunnen komen ter aanmoediging voor een beginneling b.v. krijgen 2.

Gaarne had ik ook van U voor het eerste nr. van het nieuwe jaar een kroniek van uwe hand.

Bij voorbaat dank.

Uw dw.

 

Jozef Muls [10]

De eerste aflevering van de nieuwe jaargang verscheen pas als dubbelnummer in april 1927. Het blad was nu ondergebracht bij de Standaard-Boekhandel, en zou niet langer maandelijks maar tweemaandelijks verschijnen. Naast twee gedichten en enkele korte boekbesprekingen was Van Ostaijens grondleggend essay “Gebruiksaanwijzing der lyriek” opgenomen.

 Coda

Op 6 september 1927 vertrok Van Ostaijen naar het sanatorium van Miavoye-Anthée. Tine Ceulemans en Floris Jespers brachten hem naar de trein.

“Wanneer hij naar ginder vertrok op het eind van juli 1927 kwam hij mij vaarwel zeggen op het museum. Het was hem niet aan te zien dat hij zo dicht bij het einde was. Hij had niet het uitzicht van een teringlijder. Hij was klein, slank en bleek van wezen maar van geen ziekelijke, eerder een voorname bleekheid die de intellectueel verraadt. Hij was vol hoop dat het ginder zou beteren, dat hij helemaal ging opknappen. Zijn donkere ogen waren schitterend van een fel licht. Ik deed hem uitgeleide door de zalen tot aan de hoofdingang van het museum. De  bedienden aan de controle sprongen recht menend dat ik een hoge bezoeker buiten liet. Zij wisten niet dat ik de prins der jonge Vlaamse dichters voor het laatst de hand drukte. Hij daalde de trappen af tussen de hoge zuilenrij. Ik zag hem niet weer.” (Muls 1929: 153-154)

Muls ontving de laatste bijdragen van Van Ostaijen – “Vier proza’s” uit het sanatorium. Hij antwoordde op 13 januari 1928:

“Ik genoot van uwe prozastukjes. Dat doet U niemand na in Vlaanderen. Het is schoon om wat onuitgesproken bleef. De woordenreeksen worden tot een dun vlies waarachter het eigenlijke het diepere dat gezegd moest worden door de aandachtige en meevoelende lezer kan worden vermoed. Die schijnbaar simpele en achteloze stukjes zijn vervuld van een levensfilosofie en van een stille weemoed. Ik zie met verlangen naar de volgende uit.” (Borgers: 984-985)

Van Ostaijen overleed op 18 maart 1928.

&

Aan het nummer van mei-augustus 1928 van Vlaamsche Arbeid, dat aan hem gewijd was, werkten Jozef Muls, Victor Brunclair, Gaston Burssens, Fritz Francken, Paul Joostens, dr Edgar Peetermans, A. W. Grauls, H. Marsman, Wies Moens en André de Ridder mee. Naar aanleiding van die bijzondere aflevering nummer ontmoette Gaston Burssens voor de eerste maal Muls, te zijnen huize aan het Vleminckveld te Antwerpen. (Burssens: 177) Het werd een vriendschap voor het leven, zoals uit hun warmhartige (onuitgegeven) briefwisseling blijkt.

Muls nam het voorzitterschap waar van het “Comité voor herdenking van dichter Paul van Ostaijen” dat voor de repatriëring van Van Ostaijens stoffelijk overschot zorgde (Jespers 1997: 20-23). Bij de eerste herbegrafenis op 16 maart 1932 sprak hij op het Schoonselhof de rede uit. (Muls 1932) In 1934, toen de herstelbeweging volop aan de gang was, publiceerde hij het gedicht “Gnomedans”, in de Mededelingen van de Academie nog wel. (Muls 1934) Als directeur-generaal van Schone Kunsten zette hij zich tijdens de bezetting niet alleen schrap tegen de pogingen van ultra’s om de Staatsprijzen voor literatuur naar hun hand te zetten (Jespers 1997: 29-32), maar voerde hij ook een moedig beleid inzake plastische kunsten, geheel onafhankelijk van de Duitse richtlijnen (hij kocht bijvoorbeeld werk van joodse kunstenaars). (Devillez 2003: 178-181).

Door niemand werd Van Ostaijen bij leven zozeer daadwerkelijk gesteund als door de vergeten Jozef Muls die hem verdedigde in jury’s en voor de enige erkenning waar de stervende dichter op kon bogen: een armzalige toelage van 2.000 F, toegekend door Minister Camiel Huysmans.

Henri-Floris JESPERS

Bibliografie.

Borgers, Gerrit. 1971. Paul van Ostaijen. Een documentatie. Den Haag: Bert Bakker.

Buelens, Geert. 2001. Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Nijmegen: Vantilt.

Bulhof, Francis. 1992. Eine Künstlerfreundschaft, Oldenburg: Holzberg Verlag.

Burssens, Gaston. [1964]. [“Herinneringen aan Jozef Muls”], in: Jozef Muls-Komitee, Jozef Muls herdacht. [Leuven] :[Davidsfonds], 177-178.

 Buyck, Jean F. 1995. Paul Joostens, de cruciale jaren. Brieven aan Jos Leonard 1919-1925.Antwerpen: Pandora.

Couteele, Floris. [1932]. Dagboek van een arrivist. Antwerpen : Centrale voor Tijdschriften Wilfried Boucherij.

Devillez, Virginie. 2003. Le retour à l’ordre. Art et Politique en Belgique 1918-1945. Bruxelles : Labor/Dexia Banque.

Jespers, Henri-Floris. 1997. Gaston Burssens. Klemmen voor Koorddanser. Antwerpen: Revolver (= jg. 24, nr. 2, oktober 1997)

Jespers, Henri-Floris. 2001.  “Jespers, Joostens & Van Ostaijen: enkele nieuwe gegevens”. Revolver 112: 65-89.

Kenis, Paul. De Vlaamsche letterkunde na ‘Van Nu en Straks’. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Muls, Jozef. 1929. Melancholia. Leuven: Davidsfonds.

Muls, Jozef. 1932: “Paul van Ostaijen”. Jong Dietschland, 6de jg., nr. 13, 25 maart 1932.

Muls, Jozef. 1934: “Een onuitgegeven Gedicht van Paul van Ostaijen.” Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent, 49-60.

Muls, Jozef. 1942. Werk. Diest: Pro Arte.

Roover, Adriaan de. 1963. Paul van Ostaijen. Brugge / Utrecht: Desclée de Brouwer [Ontmoetingen nr. 1]

Vandaele, Wilfried. 1983. Floris Couteele 1897-1931. Gent : Cultureel Centrum ‘t Pand [= Gentse bijdragen tot de literatuurstudie VI]



* Jozef Muls aan Paul van Ostaijen, 14 november 1926. (BORGERS: 724) De spelling van alle citaten werd genormaliseerd.

[1] Muls dateert de ontmoeting van 1922, Borgers situeert die “omstreeks” mei 1923. Alles wijst erop dat deze laatste het bij het rechte eind heeft. Borgers (1971: 503-504) en Adriaan de Roover (1958: 18) zijn van oordeel dat de uitnodiging van Muls samenhangt met de breuk in maart 1923 tussen Muls en Van den Oever. Het vrijwillig ontslag van Floris Couteele als redactiesecretaris van Vlaamsche Arbeid (zie verder) is wellicht ook niet vreemd geweest aan het aanbod van Muls, die er al altijd op uit was jongeren een kans te geven.

[2] Onuitgegeven postkaart van E. DE BOCK aan P. VAN OSTAIJEN, 1 november 1921. Privé-collectie.

[3] Franz de Backer, Firmin van Hecke, Jan van Nijlen,  André de Ridder, Antoon Thiry, Felix Timmermans werkten zowel aan Vlaamsche Arbeid als aan De Boomgaard mee.

[4] Muls zinspeelt hier op de veroordeling van de Action Française door het Heilig Officie (19 december 1926). Belgische katholieke milieus hebben beslissend bijgedragen tot de pauselijke beslissing. Zoals de meeste flaminganten stond Muls erg afwijzend tegenover de A.F. (DEFOORT 1978: 255-262)

[5] Nl. de drukproeven van het artikel “Karel van den Oever II” gepubliceerd in Vlaamsche Arbeid, XXI, 12, gedateerd december 1926, pp. 502-508 – het herdenkingsnummer Karel van den Oever waarin ook o.m. Muls, De Ridder, Lode Baekelmans, Jules Persyn, Victor Brunclair, Wies Moens, Felix Timmermans, Willem Gijssels, Magda Peeters, Jozef Simons, Albert Pil en August van Cauwelaert aan meewerkten.

[6] Vlaamsche Arbeid werd toen uitgegeven door “Mercurius”, gevestigd op hetzelfde adres als de drukker van het blad, D. de Vos-van Kleef, Rodestraat 44 te Antwerpen. D. de Vos was uitgever en hoofdredacteur van De Bouwgids, Geïllustreerd Maandschrift voor Bouwkunde, Woningkunst, Toegepaste- en Beeldende Kunsten.

[7] Volgens Floris Couteele had Vlaamsche Arbeid een vierhonderdtal abonnees. (Couteele 1932: 181)

[8] Naar het einde van zijn leven ontwikkelde de verbitterde scherpslijter Couteele een hekel aan de integere (in zijn woorden: “kuise”) Muls, die hij in 1929 afmaakte voor “officieel onschadelijk gemaakte museumkater”, “ambtshalve” getooid met een “tricoloor halsbandje”. (COUTEELE 1931: 58).

[9] Onuitgegeven brief van J. Muls aan P. van Ostaijen, 21 januari 1927. Particuliere verzameling.

[10] Onuitgegeven brief van J. Muls aan P. van Ostaijen, 24 januari 1927. Particuliere verzameling.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche