Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
7 juin 2008 6 07 /06 /juin /2008 01:16

Henri-Floris Jespers en ExLibris-voorzitter John Bel

 

Op uitnodiging van de kring ExLibris hield Henri-Floris Jespers op  4 juni een lezing onder de titel “Hugo Claus: definitief voorlopig of voorlopig definitief?”. Hierna volgen enkele uittreksels.

Op 22 november 1963 zat ik rond half zeven met moeder naar televisie te kijken. Het programma werd onderbroken met een bericht over de aanslag op president Kennedy. In de late avond van 9 augustus 1974 zat ik met Werner Spillemaeckers in VECU te kijken en te luisteren naar de afscheidsrede van president Richard Nixon. Op zaterdag 26 april 1986 zat ik met kamerarrest in Hotel Intercontinental te Praag. De ramp van Tsjernobyl zou ik pas een dag of twee later vernemen. Op 11 september 2001 hoorde ik vaag een radiobericht bij mijn krantenboer. Er was een aanslag gepleegd op het WTC, wist hij me te vertellen. Ik dacht aan het WTC te Brussel, waar ik jaren een kantoor had.

Van l. naar r.: Thierry Neuhuys, dr. Paul Hoffbauer, Luc Neuhuys, Jan van Oostende en
een peinzende Marga

 

Op 19 maart 2008, in het “Goudblommeke van papier” te Brussel, waar ‘s avonds een literaire avond zou plaatsvinden naar aanleiding van een aflevering van het tijdschrift Connexion over de legendarische kunsthandelaar en kroegbaas Geert van Bruaene, vernam ik rond 16 uur het overlijden van Hugo Claus.

Een rits journalisten en persfotografen kwamen ‘s avonds opdagen. Neen, niet uit belangstelling voor Van Bruaene, maar op zoek naar dankbare slachtoffers die Claus gekend hadden en bereid waren op scherpzinnige vragen te antwoorden als daar bijvoorbeeld zijn “Wanneer en waar hebt u hem voor de eerste keer ontmoet?”, “Hoe was hij in de omgang?”, “Kunt u een anekdote vertellen?”

De 84-jarige dichteres Clara Haesaert, die in de jaren vijftig met haar man Gentil de drijvende kracht was achter het kunstcentrum Taptoe, waar de schilder Claus in 1956 zijn eerste persoonlijke tentoonstelling in Brussel hield, kreeg zo de cruciale vraag voorgeschoteld: of ze verliefd is geweest op Claus, of hij op haar…

Kortom, het was duidelijk dat de schrijver al meteen herleid was tot een dankbaar onderwerp voor de rubriek “People”. In de komende dagen ging het van kwaad tot erger.

Van l. naar r.: Pruts Lantsoght, Maria Houthoofd, Erik Verstraete en Gert Vingeroets

Het eerste huwelijk van Claus werd op 31 mei 1955 in het “Goudblommeke van papier” gevierd. Geert van Bruaene, acteur bij het Vlaamse Volkstoneel, compagnon van Paul van Ostaijen in de kunstgalerie La Vierge Poupine en weggenoot van de surrealisten, Magritte op kop, trad als parodiërende officier van de burgerlijke stand op. Karel Appel, Corneille, Jan Cox en Roger Raveel waren aanwezig, en Albert Bontridder, Maurice d’Haese, Lucebert en Simon Vinkenoog, en Parijse en Romeinse vrienden.

De anders nuchtere en feitelijk wat schuchtere Jan Walravens was nogal beschonken. Hij schoof in de schoenen van een kaal Academielid en improviseerde een grafrede voor de toen 26-jarige Claus:

“Claus, heb ik geroepen, die wij vandaag alle bewenen, was een onzer gelukkigste schrijvers. Hij was schatrijk toen hij stierf, niet alleen lid van de Leopoldsorde zoals Louis Paul Boon, maar ook lid van de Kousenband. Hij won alle prijzen… Hij kende eerst een fantastische opgang, ging dan verschrikkelijk aan de drank, maar realiseerde omstreeks zijn veertigste jaar een werk, dat wreedheid met fantasie paarde.”

&

In 1954 achtte Claus het oeverloze debat over de “experimentele” poëzie als voorbijgestreefd. In de vierde aflevering van Taptoe stelde hij onomwonden:

Daar de meeste critici (noodgedwongen) lui zijn en onbekwaam, hebben zij van hetgene waarover zij zich in het publiek uitlaten slechts de meest oppervlakkige noties. En daar critici clichés als dagelijks voeder nodig hebben werd van het woord: ‘experimenteel’ gretig gebruik gemaakt. Experimenteel werd het gedicht dat niet rijmde, dat geen lestekens had, het gedicht met een Engels of een obsceen woord in. Experimenteel werd elke vorm, elke gedachte, elk gevoel waarmee zij (lui, onbekwaam) niet onmiddellijk vertrouwd waren. Ter afwisseling dienden de woorden: nihilisme, Van Ostaijen, dadaïsme, existentialisme, enz.

(Daartegen werd dan onherroepelijk het woord: klassiek gesteld. Op de vertrouwde manier scholen onder deze benaming: Euripides en Vondel, Shelley en Corneille. Klassiek werd het symbolisme zoals de barok, Van de Woestijne zoals Reimond Herreman). Het is overduidelijk dat de voorlopigheid die aan het woord ‘experimenteel’ hing in 1949 thans is opgeheven.

Wie dit niet merkt en nog verder in slagersstijl met de woorden existentialisme, Van Ostaijen, dadaïsme, experimenteel aankomt wanneer het bijvoorbeeld uw dienaar betreft, beschouw ik als een windbuil, een geestelijk minderwaardige.

Joke van den Brandt en HFJ

Hierbij stelde Claus geenszins dat “experimenteel” een overwonnen standpunt was, neen, integendeel, “experimenteel” was al canoniek geworden. De herleiding van de experimentele poëzie (van zijn poëzie) tot vroegere stromingen bestempelt hij (terecht) als een minderwaardig argument. Het wordt trouwens, gek genoeg, vooral door de conservatieve kritiek gehanteerd : “Het is niet eens nieuw…” Net alsof een sonnet schrijven of een academisch naakt schilderen wél iets nieuw is. Anderzijds houdt de verklaring van Claus ook een sneer in tegen de trendgevoelige na-apers.

Enige zin voor provocatie was Claus nooit vreemd maar de bezwaren tegen de jongeren die hij voor “neo-experimentelen” sleet, waren reëel. In een gesprek met Gaston Burssens zou hij anno 1957 opnieuw dit thema zijdelings maar zwierig aanboren.

Op zijn veertiende had Claus een lijvige historische roman geschreven over de XIVde-eeuwse Vlaamse opstandelingenleider Nicolaas Zannekin. Hij deelde Burssens mee dat hij onder de invloed van Rodenbach en Tollens het grootste gedeelte van dit boek in versvorm had geschreven, en voegde daar aan toe:

Lach maar niet. Rodenbach en Tollens schijnen nu wel heel belangrijke figuren te zijn, want zij duiken nu opnieuw op bij de neo-experimentelen met hun gezwollen beeldspraak, hun gebrek aan wat men in het Frans rigueur heet en het overtollige belang dat de opgezweepte woorden krijgen”.

Waarop Burssens laconiek reageerde:

Ik vrees dat de neo-experimentelen, zoals jij ze noemt, het niet helemaal met je eens zullen zijn. Misschien zien zij het later wel in.

Op de vraag wat is er met die historische roman gebeurd, antwoordde Claus dat hij die helaas vernietigd heeft.

Waarom helaas?, vroeg Burssens.

Waarop het typisch Clausiaanse antwoord kwam: “Misschien had hij nu wel sensatie verwekt.”

Dirk Maeyens en Kris Kenis

Een van mijn leermeesters, de enige nog in leven, professor Jean Weisgerber, heeft het duidelijk onderstreept:

Claus is geen denker die zijn indrukken logisch systematiseert, hij ziet de dingen los van elkaar, afzonderlijk, net als kleurvlekken in een caleidoscoop, maar zo hij ze van elkaar scheidt, dan wordt dit ontbindingsproces aan de andere kant gecompenseerd door een tegenovergestelde kracht die de dingen weer tot een splinternieuw patroon verbindt.

Dat maakt dat zijn poëtisch denken overwegend plastisch is, picturaal, beeldend. Maar dan als (passieve) afbeelding, maar als (actieve) verbeelding – het maken van beelden.

Vandaar dat de poëzie van Claus (afgezien van zijn sterke, sensuele liefdesgedichten) erudiet heet, hermetisch, moeilijk toegankelijk. Iedereen zal meteen aannemen dat je enige inspanningen moet leveren om een goeie boogschutter, slager, pokerspeler, of loodgieter te worden. Waarom zou het met literatuur anders zijn? Iedereen zal sowieso aanvaarden dat je enige kennis van zaken moet hebben om over de kwaliteit, de deskundigheid van een boogschutter, slager, pokerspeler of loodgieter te mogen oordelen. Maar iedereen matigt zich een oordeel over kunst en literatuur.

Herman Teirlinck, een van onze (uiteraard vergeten) klassiekers, heeft er op gewezen dat de hermeticiteit van het gedicht geen muur is, “wel de omheining die het poëtisch gebied afsluit”.

“Men moet ertoe doorgang kunnen krijgen. Voor de ene is zulks bezwaarlijker dan voor de andere, minder naargelang van de hermeticiteit van het gedicht dan naargelang van de ontvankelijkheid van de lezer (of toehoorder). Het probleem van de doordringbaarheid, zegge de begrijpelijkheid van een dichtstuk heeft zich te allen tijde gesteld.”

Mieke de Loof en Christian van Haesendonck

Een vast thema in het poëtische oeuvre van Claus is dat van de dichter die als het ware neerschrijft wat hem door een ander “ik” gedicteerd wordt. De schrijver noteert wat hem dwingend toegefluisterd wordt en koestert die geheimzinnige aanwezigheid die hem overrompelt. 

De door bederf veranderde zanger

Die in mij overnacht,

Steeds ongelegen met zijn streken.

 

Een visser in de netels van mijn stem,

Zit hij in het licht der gevechten

Met mij te vergaan.

 

Nooit raad ik, hoezeer ik door zijn gas en gif,

Door zijn lucht en licht verwrongen,

Allengs veroverd werd.

 

Ik leef waar hij zingt. En

Zo teer als ik zorgt nooit een hoveling

Voor zijn bloedzieke koning.

 

Of nog, maar nu in een geheel andere toonaard (en voor andere interpretaties vatbaar):

 

In die tijd, in den beginne, ontsnapte de taal

uit het middenrif.

 

Bronst, nood, honger. En jij.

Een bron, een tegenvorm.

 

Tussen vele waarschuwingen,

Geschift tussen tong en tand

Leerde ik:

 

haat     nood    vlies

wraak  moord  verlies

 

Vanaf het indrukwekkende Bericht aan de bevolking (1962) [1] zou Claus zowat tien jaar lang gestalte geven aan zijn engagement. Een van de hoogtepunten was het libretto voor de opera van Bruno Maderna (1920-1973) naar Hölderlin, Hyperion en het geweld (1968), een striemende aanklacht tegen het imperialisme dat zich met wapens opdringt en in stand houdt, hetzelfde verzet tegen het militarisme dat reeds bleek uit zijn film De Vijanden (1967), waarin zijn vriend Hugues C. Pernath (1931-1975) de rol van deserteur speelt.

Dirk Maeyens en Jean Emile Driessens

(Tussen haakjes: Met Pernath bracht Claus soms een avondlijk of nachtelijk bezoek aan het clublokaal van de Vereniging voor Europese Cultuur Uitwisseling, beter bekend als de Vecu. Het was aandoenlijk hoe Hugues de door hem zo bewonderde meester in bescherming nam voor de vermeende opdringerigheid van andere kunstbroeders. Het was net of Claus zijn persoonlijk bezit was…)

&

Ja, het waren woelige jaren. Op 11 juli 1967, aan de ingang van de Koningin Elisabethzaal waar burgemeester Lode Craeybeckx zijn jaarlijkse toespraak zou houden, verdeelden Claus en Pernath een pamflet, ondertekend ’t Gemeen. In dit zeldzame document, Gij, Vlaming, gij, Vlaams-nationalist, stelt Claus dat in 1302 het Vlaamse gemeen was misleid en misbruikt door de grafelijke partij. In datzelfde jaar 67, op 30 december, ging Masscheroen in première in het kader van het Experimenteel Festival in de Casino te Knokke. De H. Drievuldigheid verscheen op het toneel belichaamd door drie spiernaakte mannen: Bob Cobbing (Brit, vertegenwoordiger van de Sound Poetry) als God de Vader, Freddy de Vree als God de zoon en Hugues Pernath als de Heilige Geest. Het optreden verwekte schandaal en leidde tot de veroordeling van Claus wegens openbare zedenschending.

De tijden zijn veranderd…

Henri-Floris JESPERS



[1] Gedichten 1948-1993, p. 327

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche