Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
20 mai 2008 2 20 /05 /mai /2008 00:00


Karel Jonckheere, die wellicht door zijn persoonlijke omgang met Gaston Burssens en zijn literaire briefwisseling met Erik van Ruysbeek[1] een evolutie doormaakte waardoor hij meer open kwam te staan voor de ‘experimentele’ poëzie (wat niet belette dat hij soms neerbuigend zoniet perfide uit de hoek kwam), wijdde een kroniek in het Nieuw Vlaams Tijdschrift aan de poëzie van Erik van Ruysbeek, A. K. Rottiers, Clara Haesaert, Gust Gils en Marcel Wauters.[2]

Jonckheere spreekt wel zijn waardering uit voor Gust Gils’ debuut, partituur voor vlinderbloemigen, maar Wauters, neen, dat gaat hem blijkbaar te vér. Het is net of de dichter Jonckheere als criticus nog altijd moeite heeft om de ‘experimentele’ sensibiliteit te benaderen en nog altijd (onbewust) hardnekkige en daarom juist versleten topoi hanteert, ontleend aan de ‘klassieke’ kritiek, hierbij insinuerend dat nieuwlichters romantici zijn, nieuw noch origineel: ‘Wauters is een sentimentele jongen, die in een eerder tamme stijl wat gekende complexen verwerkt’, ‘van experimenten is er hoegenaamd geen spraak geweest’ en het is moeilijk ‘een persoonlijke toets te kunnen naspeuren’. Hij citeert een aantal verzen uit Wauters gedicht ‘De lange weg’ en wijst terecht op de invloed van Paul van Ostaijen (die overigens geen lezer kan ontgaan).

De lange landweg

loopt alleen door ’t land

ik loop de lange landweg

langs

mijn gedachten lopen op de lange landweg

mij vooruit

en verzinken ginder

in wat het einde schijnt

 

Geert Buelens typeert terecht dit gedicht als ‘een voorbeeld van zeer duidelijk lyrisme à thème […] waarin overigens plots wél een “einde schijnt”.’[3] Maar uitgerekend de laatste drie verzen werden door Jonckheere niét aangehaald… Wel poneert hij:

 ‘Wauters ziet iets, voelt iets, vindt iets, dat hem boeit of vervult of voldoet, maar hij kan van zijn zegging geen medium maken om het ons gematrijsd mee te delen.’[4]

In feite komt dit op hetzelfde neer als Daisnes stelling dat ‘het verblindend vuurwerk’ van de experimentelen ‘meestal niets dan een verwaand gebrek aan kennen en kunnen moet verbergen’ – behalve dan dat er in het geval van Wauters geen sprake is van vuurwerk, laat staan verblindend vuurwerk.

Het komt bij Jonckheere niet eens op dat het Wauters uiteraard nooit om te doen was, verzen in een matrijs te gieten of te slaan, maar integendeel visueel te focaliseren en te fragmenteren. Een vers van Wauters, schrijft Boon,

‘is meestal een klein, haast anekdotisch geval, dat met een fototoestel op straat zou kunnen genomen zijn. En toch is dit niet zomaar een verhaaltje over een blinde, over een bedelaar, over een kellner. Er schuilt ook hierachter een geheim, dat het doodgewone tot poëzie verheft.’

Het ogenschijnlijk ‘onopgesmukt naakte’ realisme van de scherpstellende Wauters neigt inderdaad naar het surrealisme (in de eerste plaats omdat hij bewust tegen de toon aan schrijft), maar dan wel naar de rationele, zoniet rationalistische variante van het eerder dadaïstisch geïnspireerde Belgische surrealisme, waarvan Paul Nougé (1895-1967) het boegbeeld was. De ‘occultation profonde, véritable du surréalisme’ die door André Breton geëist werd [5], bleef hen geheel vreemd. Het afgrondelijke dat achter of onder de tastbare realiteit gaapt, heeft geen enkele metafysische of metapsychische bijsmaak, maar wordt louter rationeel ervaren. Wauters maakt dit zonder meer duidelijk:

‘Het gedicht kunt ge niet doorgronden. De dichter opent een deur waarop geen sleutel past. Sommigen vinden hem dikwijls en openen de verkeerde deur. Deze welke de dichter opende, bestaat ze? Een chinees toverde een landschap op een muur en hij nodigde de keizer, die zich met alles wil bemoeien, uit er een wandeling in te maken. Hoe geraak ik daar in, riep hij luidruchtig wat natuurlijk niet paste. Zo antwoordde de schilder en hij deed het voor. De keizer probeerde het dan ook en botste met zijn hoofd tegen de muur. Wat voorzeker niets bewijst. Inderdaad.’[6]

Wegwijzers zijn altijd misleidend, wist Wauters te melden.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

 



[1] Karel JONCKHEERE & Erik VAN RUYSBEEK, Poëzie en experiment, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, VIII (1954), pp. 157-191; 383-400, X (1955), pp. 63-98; Karel JONCKHEERE en Erik VAN RUYSBEEK, Poëzie en experiment. Dialoog in briefvorm over oud en nieuw in de dichtkunst, Antwerpen/Amsterdam, Ontwikkeling/ J.M. Meulenhoff, 1956.

[2] Karel JONCKHEERE, Derwaarts het woord (II), in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, VIII (1954), pp. 778-796.

[3] Geert BUELENS, Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie, Njjmegen, Vantilt, 2001, p. 632.

[4] Karel JONCKHEERE, Derwaarts van het woord (II), in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, achtste jaargang, pp. 795-796.

[5] André BRETON, Manifestes du surréalisme, Paris, Jean-Jacques Pauvert, 1962, p. 211.

[6] Marcel WAUTERS, Paul van Ostayen’s ‘Het eerste boek van Schmoll’, in: Tijd en Mens, IV (1953), pp. 8-9.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche