Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
19 mai 2008 1 19 /05 /mai /2008 00:00


Omdat Taptoe een bijzonder moeilijk te vinden tijdschrift is, lijkt het hier wel aangewezen de bijdrage van Wauters haast integraal te citeren. Zijn reactie mag gerekend worden bij de meer bezadigde bijdragen. Hij speelt niet op de man maar op de bal. De captatio benevolentiae tekent de veelal intellectueel monkelende Wauters ten voeten uit.

‘Indien J.D. evenwel spreekt in de zin van de prediker, alles is ijdelheid (in het Frans leest men tout n’ est que poursuite du vent, wat veel lichter dus mooier klinkt) geef ik hem volmondig gelijk want zelfs als modernistisch (een wankel verschuivend begrip) dichter (ik maak soms gedichten) zou ik nooit die eeuwenoude klassieke (hoe duister blijft ook dit woord) wijsheid durven over boord gooien.’

Het vanitas-motief is Wauters allerminst vreemd, en dat blijkt uit de voorzichtig geformuleerde en schijnbaar aarzelende ars poetica, waar hij zich vervolgens aan waagt.

‘Ik zal trachten bondig (words words kloeg de dichter) (wat voor de kritieker?) een en ander te omschrijven, te weinig en te veel, om het misverstand, voor zover het bestaat, te helpen oplossen of vergroten. Poëzie en de dichter zijn meer dan men er hoe ook kan van zeggen. Nooit heeft men meer dan een deel, een vluchtig deeltje, van de waarheid in handen. En poëzie is misschien niet het gedicht maar eigenlijk veel meer het gebeuren zelf, een naar iets opklimmen, vallen, een naar iets grijpen, verliezen, een ernstige poging, verzaken, om ’t even of het nadien blijkt dat (zie de prediker). Zodat ieder gedicht in feite een mislukking is en de dichter genoodzaakt wordt een nieuwe poging te wagen. De steeds aan gang zijnde poging telt. Elke voorgaande behoort tot het verloren verleden. Men poogt zoals men kan – of moet? Maar niemand luistert belangstellend of ziet begrijpend toe tenzij wie ook reeds zo heeft gedacht, gevoeld, gewild. Het gedicht is het resultaat dat de dichter (naïeveling) behoudt en men spot er licht mee want het is fragiel en het kan zich niet verklaren. De dichter kan zich niet verdedigen. Tot welk nut? Hij doorkruist zijn gebied. Hij volgt geen wegwijzers, hij kan het ook niet want hij baant de weg, hij plaatst ze zelf aan de kruispunten achter zich en steeds zijn ze misleidend voor wie hem volgen wil, hij blijft alleen.

Een dichter leert niet, hij is onwetend (inderdaad J.D. heeft gelijk) en hij staat onwennig of aanvaardend tegen wat hem omringt. Maar hij zoekt. Midden de poëzie staande distilleert hij met zelfontdekte instrumenten zijn lafenis (sommigen spreken van godendrank maar ik vermoed dat zij nooit een glas pinard hebben gedronken). En de dichter leeft in het woord. (Vraag: hoe slaagt hij er in Antwoord: met een toverdrankje). De dichter heeft alleen het kleine wapen van het woord, geen wapen om te moorden of te kwetsen maar een wapen om te vormen, om te scheppen. Het is ook meer dan een werktuig. Het is een wereld waarin hij nalaat wat hij niet uitspreken kan. Daardoor kan hij zich soms verplaatsen in een (zinloos?) beleven dat de leegte (was het maar even) opheft.

Een dichter kan duizend maal anders zijn. Maar het gedicht stelt voorzeker en altijd meer eisen dan het op maat en rijm zetten van verzen die in elkaar passen als een goedgetimmerd huishoudkastje. Nijvere arbeid, eerlijke poging, zuivere overgave, zegt J.D. Ter bijdrage tot een beter begrip van een uit zichzelf heldere zaak vrees ik dat een kleine onenigheid ons gescheiden houdt, een onenigheid die toch niet over het hoofd mag worden gezien zelfs indien ze zich niet in strenge woorden laat vastleggen: een verscheiden begrip en verwachten van schoonheid, tout court. Hij en ik ook, wij kunnen ons evenwel troosten, chacun son sale petit goût, zegt een vriend van mij. Totdaar dus, indien de een het evangelie (heb ik er dan toch een) van de ander niet wil aanvaarden. Hoe waarachtig en aandoenlijk ook de oorsprong mag zijn van enkele gedichten van J.D., deze op zichzelf laten mij onaangeroerd, hun “algemeen en verscheiden menselijke” ten spijt. Het “algemeen en verscheiden menselijke” waardeer ik zeer en ik zoek er steeds naar, bij voorbeeld op straat of dagelijks op elke bladzijde van de krant, waar ik het ook vind, maar dan onopgesmukt naakt d.i. reëler, zonder barokke krullen en dito schmink.’

&

Ook Boon leverde een bijdrage tot het debat, geen reactie op de open brief van Daisne, maar de tekst van een radiolezing over ‘moderne Vlaamse poëzie’ (Hilversum, 12 juli 1952), waarin hij het werk van zijn vrienden en medestanders van Tijd en Mens in de kijker plaatst, onder wie Marcel Wauters, die een eerste bundel gepubliceerd had, Er is geen begin en geen einde.

Jos Joosten wees terecht op de scherpzinnigheid van Boon als lezer, en dan nog wel in verband met “de uiterst merkwaardige, zeer onderschatte” Marcel Wauters.

‘Boon bekeek zijn eerste, op het surrealistische af realistische, bundel Er is geen begin en geen einde op een tamelijk merkwaardige manier. Hij ging vrijwel alleen in op de lineaire vormen die hij in de teksten meende te zien. De verzen bekeek hij als kubistische schilderkunst want met andere poëzie was het nauwelijks vergelijkbaar. […] “Zijn gedicht, dat niet langer meer een zang, maar een planimetrische figuur is, heeft het zogezegde vrije vers zijn vrijheid ontnomen… het heeft het verbonden aan een strenge vlakverdeling, een welbepaalde lijnconstructie, en een harmonie van het beeld”.’[1]

In dat verband citeerde Boon graag een vers, dat hij als een sleutel aanreikt: ‘Het bestaande is een plat vlak, er is maar 1 plat vak dat bestaat’. Volgens hem schuilt in dit vers - ‘haast een aforisme’ - het geheim van Wauters’ poëzie, nl.

 ‘het geraamte dat er in verborgen zit, het stramien waarop het vervaardigd werd. Het geheim dezer poëzie ligt meer in het picturale, in tegenstelling met de andere poëzie, wier mysterie moet gezocht worden in het rhythme, het beeld, de klank, de woordkeus.

Wat dit alles tot poëzie verheft, is eigenlijk een tekening, een lijn die door het ganse gedicht heenloopt.

Een voorbeeld daarvan: ‘Zwarte vlek mensen mekaniek haast de grijze straat wacht tussen twee parken wit van sneeuw – rust en haast zijn steeds bijeen en verslinden elkaar ongenadig’.

En merk nu hoe Wauters de grijze straat schetst. Telkens zult ge in zijn verzen een straat vinden, een brug, een bewegend voorwerp, dat een lange lijn trekt doorheen het ganse gedicht… en ge zult zien hoe hij op een bepaalde plaats, op een bepaalde punt in deze lijn, een dwarslijn trekt, iets aan weerszijden opsomt, iets een snijdende dwarslijn laat trekken. Het is dan ook niet te verwonderen dat Marcel Wauters, in dit soort picturale poëzie, waarin het bindsnoer niet meer het rhythme, de klank, het beeld, maar wel een in het gedicht verborgen tekening is… zich vooral aangetrokken voelt tot ook meer plastische onderwerpen.’

Het geraamte, het stramien, de innerlijke tekening die de tekst tot poëzie maakt… Het is net of we hier een echo opvangen van de esthetica van de maniëristische schilder en kunsttheoreticus Federico Zuccari (ca 1540-1609),  auteur van het invloedrijke traktaat L’idea de’ pittori, scultori ed architetti (1607)  voor wie een “concetto”, in de betekenis van concept, niet abstract is:

‘Es handelt sich […] beim Künstler um eine präexistente bildliche Vorstellung, um einen “disegno interno”, um eine innere Zeichnung’.[2]

Is het al te vermetel een stap verder te zetten dan Boon, door voorop te stellen dat er wellicht een verhelderend parallellisme geschetst kan worden, waarbij het ‘disegno interno’ van Wauters’ vroege gedichten ook zijn pentekeningen schraagt? [3]

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)



[1] Jos JOOSTEN, De Peutinger kaart van Basil Fawlty, in: de Biels, 2 (1992), 1 (maart), pp. 34-38.

[2] Gustav René HOCKE, Die Welt als Labyrinth. Manier und Manie in der europäischen Kunst. Von 1520 bis 1650 und in der Gegenwart, Hamburg, Rowohlt Taschenbuch Verlag, 1957, p. 48 en volgende.

[3] En zou hier invloed van Boon vastgesteld kunnen worden? Ik denk hier aan het niet gebruikte omslagontwerp van Boon voor Er is geen begin of einde, een figuur zonder been. Cf Ivo MACHIELS, Plastische elementen in de literatuur (1942-1952), in: Louis Paul Boon Genootschap, Jaarboek 5, 1987-1988, Antwerpen, Facet, 1988, pp. 92.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche