Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
18 mai 2008 7 18 /05 /mai /2008 03:57


Ivo Burssens opgedragen

Het persagentschap Belga (thans in beide landstalen Belga Press Agency) meldde het overlijden van Marcel Wauters (1921-2005) met de laconieke toelichting dat hij in de jaren vijftig, samen met onder meer Louis-Paul Boon, Hugo Claus, Ben Cami en Tone Brulin, deel uitmaakte van de redactie van het tijdschrift Tijd en Mens; dat hij in 1950 debuteerde met de bundel Er is geen begin en geen einde; dat er acht bundels van zijn hand verschenen, waarvan Vergeeld dossier in 1980 de laatste was. Geen woord over zijn werk, vandaag trouwens alleen antiquarisch beschikbaar.

Ondanks de inspanningen van enkele vrienden, die telkens het kon voor hem op de barricaden gingen staan: Louis Paul Boon (1912-1979)[1], Albert Bontridder (1921), Jan Walravens (1920-1965) en Willem M. Roggeman (1935), vond het werk van Marcel Wauters bitter weinig weerklank, zowel bij het publiek als bij de kritiek. In dat verband is het toch wel symptomatisch te noemen dat een gedreven criticus als Paul de Vree (1909-1982), die in talrijke artikelen en essays de literaire avant-garde op de voet volgde, en met name ook vaak refereert aan de groep Tijd en Mens, slechts een paar maal Wauters vermeldt, en dan nog zéér terloops.[2]  Wauters had nochtans duidelijk stelling genomen in de zoveelste “querelle des anciens et des modernes”, zowel in het Van Ostaijen-nummer van Tijd en Mens als in Taptoe.

&

Het eerste nummer van het gestencilde en gratis verspreide tijdschrift Taptoe verscheen in augustus 1953. In de derde aflevering (1954) werd een open brief van Johan Daisne opgenomen, gedateerd 23 november 1953, waarin hij de jonge dichters de raad gaf hun tijd niet te verspillen aan ‘experimentele’ poëzie. Het experimentele komt meestal neer op ‘nihilisme in de zin van chaotisme’. De experimentelen zijn duisterlingen, ‘op…lichters’, waarvan ‘het verblindend vuurwerk meestal niets dan een verwaand gebrek aan kennen en kunnen moet verbergen’.

In verband met deze aanval vond de redactie, bestaande uit Janine Fontaine en Walter Korun[3], het ‘nuttig en interessant de mening te vragen van enkele personen die met die “nieuwe poëzie” op één of andere manier verbonden zijn’.

Het debat rond de ‘experimentele’ poëzie in Vlaanderen was destijds volop aan de gang, en Taptoe kon rekenen op reacties van (in volgorde van opname) Gaston Burssens, Marcel Wauters, Maurice D’Haese, Hugo Claus, Albert Bontridder, Remy C. van de Kerckhove, Jan Walravens, L. P. Boon, Simon Vinkenoog, Pieter de Prins, Jos Murez, Erik van Ruysbeek, Oscar Timmers en Ben Cami.[4]

Het lag in de lijn der verwachtingen dat er stoute taal gesproken zou worden. Toch bleef het al bij al erg vrij gematigd, al bestempelde Gaston Burssens de bewering van Daisne als ‘zo ridicuul, dat ik ertegen opzie mijn kostbare tijd te verspillen’ en betreurde Simon Vinkenoog dat de redactie aandacht schonk aan ‘het gedachtenleven van een onbelangrijk man als Daisne’. Hugo Claus trok het debat open om vervolgens Daisne in enkele woorden te executeren:

‘Daar de meeste critici (noodgedwongen) lui zijn en onbekwaam, hebben zij van hetgene waarover zij zich in het publiek uitlaten slechts de meest oppervlakkige noties. En daar critici clichés als dagelijks voeder nodig hebben werd van het woord: ‘experimenteel’ gretig gebruik gemaakt. Experimenteel werd het gedicht dat niet rijmde, dat geen lestekens had, het gedicht met een Engels of een obsceen woord in. Experimenteel werd elke vorm, elke gedachte, elk gevoel waarmee zij (lui, onbekwaam) niet onmiddellijk vertrouwd waren. Ter afwisseling dienden de woorden: nihilisme, Van Ostayen, dadaïsme, existentialisme, enz.

(Daartegen werd dan onherroepelijk het woord: klassiek gesteld. Op de vertrouwde manier scholen onder deze benaming: Euripides en Vondel, Shelley en Corneille. Klassiek werd het symbolisme zoals de barok, Van de Woestijne zoals Reimond Herreman). Het is overduidelijk dat de voorlopigheid die aan het woord ‘experimenteel’ hing in 1949 thans is opgeheven.

Wie dit niet merkt en nog verder in slagersstijl met de woorden existentialisme, Van Ostayen, dadaïsme, experimenteel aankomt wanneer het bijvoorbeeld uw dienaar betreft, beschouw ik als een windbuil, een geestelijk minderwaardige.’

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

 



[1] In 1951 brak Boon al een lans voor zijn vriend in het prestigieuze Nieuw Vlaams Tijdschrift (‘Het geval Wauters’, vijfde jaargang, 1951, pp. 984-996). Van dan af liet hij geen gelegenheid onbenut om de aandacht op zijn vriend te vestigen in Vooruit. Cf Louis Paul BOON, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1., IV.2, IV.3, Antwerpen, L.P. Boon-Documentatiecentrum, Universitaire Instelling Antwerpen, 1997 [= Boon-studies 5, 6 en 7].

[2] In november 1959 hield De Vree een lezing voor de kring “Germania” van de universiteit te Gent. Hij stelde vast: ‘De zwarte humor, een der elementen van het surrealisme is eerst laat en dan nog bij een Marcel Wauters alleen doorgebroken. In zijn bundel apoteek b.v.’ (P. DE VREE, Onder experimenteel vuur, Brugge/Antwerpen, De Galge, 1968, p. 131.

[3] Over Walter Korun, cf. Gérard BERREBY, Piet de Groof. Le général situationniste, Paris, Allia, 2007.

[4]  Taptoe, nummer 4 [1954], ongepagineerd. De citaten, tenzij anders vermeld, zijn ontleend aan de reacties op de open brief van Daisne.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche