Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
15 mai 2008 4 15 /05 /mai /2008 03:34

Dank zij de spirituele onverzadigbaarheid van Jeanine Terpougoff had ik in 1962 kennis gemaakt met dr. H. A. Kamran, president van het Consortium des Importateurs Iraniens, die hoog in de hiërarchie stond van de internationale bahái-gemeenschap. Hij was een aristocratische, verfijnde en gecultiveerde Pers, en gaf op vaste tijdstippen lezingen in zijn in zoeterige Oosterse stijl ingerichte appartement aan de Van Eycklei, gevolgd door een gezamenlijke bespreking. Zijn beeldschone echtgenote verwendde de toehoorders met uitgelezen maar uiteraard niet-alcoholische dranken en zelfbereide lekkernijen, zoals in honing gebrande noten en ander lekkers met als enige gemeenschappelijke noemer een bijzonder hoog suikergehalte. Tussen enkele tafelschuimers, geestelijk ontwortelden, dito klaplopers en enkele waarlijk geïnteresseerden, maakte ik er kennis met de alomtegenwoordige Flore Cuwart, alias Theo Vonck, “auteur en componist”. Hij was vaag verbonden aan de Gazet van Antwerpen, toen nog, onder leiding van Louis Kiebooms, een beschaafde krant. Je kon in Antwerpen geen lezing bijwonen of Vonck was er, geen receptie bijwonen of je zag hem iedereen aanklampen. Hij had eens en voorgoed besloten met zijn boeken op de baan te gaan, en leurde ermee als een vlijtige handelsreiziger. Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om ze aan celebriteiten cadeautje te doen, zich daarbij nadrukkelijk voorstellend als redacteur van de belangrijkste krant van de stad. Zo kreeg hij beleefde dankbriefjes, die hij achteraf als referentie gebruikte.

Theo Vonck had mentaal een nadeel tot voordeel omgebogen: als hij niet erkend werd, dan was dat omdat z’n collega-schrijvers afgunstig waren, niet alleen op zijn talent, maar vooral op zijn onafhankelijkheid van geest. Hij behoorde immers tot geen enkele clan. Over zijn bundel Vlaamse cocktail II schreef hij zelf dat er waarheden in staan “die sommige literaire gewichtige omes de wenkbrauwen doen fronsen”. Ik heb er tevergeefs naar gezocht. Maar dat was de reden, zo meende hij, dat ze “deze kwâjongen maar vogelvrij verklaren”. Hij mat zich Uilenspiegel-allures aan, net of hij handelde in subversieve goederen, terwijl hij zich niet anders aanstelde dan als een tegendraadse, reactionaire kleinburger. Met negentiende-eeuwse eenvoud vertolkte hij versleten clichés, maar dacht van zichzelf een volksdichter redivivus te zijn.

De Kleinen zijn er om te geven,

de Groten zijn er om te nemen,

te profiteren en te krijgen.

De reden moet men soms verzwijgen:

de leeuw doet de gazellen beven,

de snoek moet van de bliekjes leven.

 

De Groten zijn klein, ze hebben geen hart.

De Kleinen zijn groot, ze kennen de smart.

 

Bij een oppervlakkige kennismaking kon de man, in onbewaakte ogenblikken, plots interessanter blijken dan zijn simplistische, met irritante pseudo-wijsheden doordrongen rijmelarij. Ondanks de olifanteske dimensie van zijn ego, leek hij op een schichtige wezel. Hij was kort van stuk, gelig van teint, slordig gekleed, en sprak amechtig en samenzweerderig, met haast onhoorbare stem. Hij was een kettingroker, en zijn haast obscene vingertjes waren bruingeel van de nicotine. Wanneer hij even vergat zijn rol te spelen, kon hij sympathiek clownesk overkomen. Jammer genoeg gebeurde dat zelden, want hij leed aan de door Van Ostaijen gediagnosticeerde Vlaamse ziekte: Mij zullen ze niets wijsmaken! Soms leek dat wel op een vorm van heilzaam scepticisme, maar dat duurde helaas nooit lang, en je werd spoedig terug tot de realiteit gebracht: hier was een zelfgenoegzame en onverbeterlijke gelijkhaler aan het woord, die zijn loden ernst hulde in wat leek op volkse humor en gezond verstand. De echte clown heeft nooit gelijk, en precies dat maakt zijn charme en sterkte uit.

Theo Vonck ging er niet weinig prat op dat hij met even groot gemak kon rijmelen in het Frans, Engels, Italiaans en Duits, maar hij bleef in alle talen de ongekroonde koning van de gemeenplaats.

Longtemps après la mort du poète,

longtemps après le trépas du prophète,

l’humanité leur rendra des hommages,

elle se souvient de leurs profonds messages,

qui étaient altruistes et spirituels,

au service du bonheur universel.

Leur travail n’était pas d’ordre mondain,

il devint le ferment du génie humain.

Il témoigne de la supériorité de l’esprit,

au profit des hommes, grands et petits.

 

Versregels die telkens op een komma eindigen zijn verdacht, vooral wanneer de voeten geteld werden door een boekhouder.

Vonck had het heel erg voor Marnix Gijsen, wat niet verwonderlijk is, want de “grand old man” had ook al iets van een benepen burger. In 1932 had Gijsen zijn boekje Ons volkskarakter aan Theo Vonck en Leo Kunnen (de schoonvader van Constant van Ostaijen) opgedragen, “in gedachtenis van de lange nachtpalabers onzer jeugd”. Uiteraard schreef Vonck een loflitanie op de “Antwerpse Goethe”, die hij trouwens ten tonele voert in “A Venetian Story”:

Once my friend Albert Goris

sat in a gondola in Venice.

And, when passing under a bridge,

clearly was called by his own name.

Sure, his ears were not to blame.

 

So, he combed out that city in the rain,

in search of that mystery-man, but in vain.

For years he was puzzled by that whim,

till I solved that problem for him, -

the key being a mere Italian homonym

of his Flemish name Albert Goris.

That fellow had called “Albergo Riss”,

Being a porter of this hotel in Venice.

Uiteraard was hij gekant tegen de taalafbraak, “nu de snobs toch zo ultra-modern willen zijn”, tegen de ontwaarding der waarden, tegen de abstracte en informele kunst (“l’art scoubidou”) en vooral tegen “de” experimentelen (in het gelijknamige gedicht passeren Paul Snoek, Paul de Vree, Gaston Burssens en Adriaan de Roover de revue).

àlles weg

àllen weg

ik alléén

roze teen

ik

en mijn foto

overal

publicity

bluffety

open bal

bruine broekjes

dikke doekjes

dunne koekjes

snikke snoekjes

blanco boekjes

veel wit wit

weg met letters

en trompetters

leve ketters

van de vloo

in het stroo

van de zoo

en de vree

in de slee

op de zee

de piston

in veston

van gaston

wash in ton

de banaan

van baviaan

voor adriaan

alles banaal

dus kotsen

alles normaal

dus botsen

abstracte plastiek

baardgimnastiek

concrete muziek

neurasteniek

rits-elastiek

muze is een vent

ik ben experiment

leve ’t excrement

niemand content

navel vol mot

kop is kapot

lief in de pot

vivan ikzelf

en klaverenzot

Theo Vonck ventileerde zijn mening met pseudo luchthartigheid, hulde zich in jezuïtische bescheidenheid, maar meende alles wat hij zei, want hij was een man van eenvoudige zekerheden, doordrongen van het eigen, onvervangbare gelijk. In feite leed hij onder het gebrek aan erkenning. In een van zijn boekjes schreef hij over zichzelf: “En toch zijn er mensen die vrij genoeg staan om, zonder de dichter te kennen, zijn werk toch objectief te willen waarderen”. Zo kreeg hij voor zijn veeltalige bundel Cocktail I schriftelijke felicitaties o.m. van, ik citeer: “Willem Elsschot, van Somerset Maugham, van ex-Bundespräsident dr. Theodor Heuss, E. Pater Pire, wijlen Jan Boon, van een ambassadeur, van Cam. Huysmans, van Fernandel, een geestige brief van Jean Cocteau, en één uit Rome, enz… “ En hij concludeerde: “Is die dichterlijke outlaw dan tóch iets waard?”

Hoffelijke mensen danken inderdaad voor de toezending van een boek, ook wanneer het van een onbekende komt. Dat is daarom nog geen blijk van waardering, alleen maar van beleefdheid. Wat schreef bijvoorbeeld Jean Cocteau? Ten eerste dat hij verzuipt in het werk (lees: ik heb geen tijd om uw boek te lezen), ten tweede, dat het niet zijn gewoonte is als poëziecriticus op te treden, al was het maar omdat hij zichzelf al decennialang als een beginneling beschouwt. À bon entendeur, salut ! Wat Vonck gehad heeft aan het oordeel van een ambassadeur, weet ik niet. En aan Thedor Heuss?

Dat alles zegt alleen iets over de hardnekkige opdringerigheid van de commis-voyageur, die inderdaad geen enkele gelegenheid laat voorbijgaan om zijn waar aan te prijzen.

Ik moet denken aan wat volgt. In een vorig leven heb ik een jongeman gekend, een intieme vriend van Jan de Roek die thans arts is. Hij stencilde ooit zijn poëtische ontboezemingen op A4-formaat. Als nom de plume had hij gekozen voor Frank Franco, maar niet wegens de alliteratie. Hij stuurde een exemplaar naar Madrid en kreeg prompt een woord van dank namens de Caudillo, dank voor de expliciete hulde. Hij was daar heel trots op. Je zoekt waardering waar je kunt.

Ook bij de Kamrans, beschaafde mensen die beter verdienden, onderbrak Vonck schaamteloos het gesprek om aandacht te vragen voor zijn smakeloze cocktails. Was hij zo eenzaam en begerig naar aandacht bij wijze van aalmoes? Hij bedelde om sympathie, en soms had dat iets aandoenlijks.

Henri-Floris JESPERS

 

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche