Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
30 avril 2008 3 30 /04 /avril /2008 09:20

Op 9 maart spoorde ik met La Flèche du Sud naar Bordeaux, waar ik op een internationaal colloquium kennis maakte met Friderun Tuczek, Françoise Catelain, Marc Le Layec, Jean Lachowski en Gehrard Kiersch. Het werden hechte vriendschapsbanden, in de daaropvolgende maanden kwamen ze een voor een naar Antwerpen, en ik zocht ze ook nog op in Den Haag, Parijs of Berlijn. We voerden een intensieve briefwisseling. Met Friedrich von Kékulé en Diamird MacLaughlin waren mijn verdere contacten eerder sporadisch. Ik verbleef in Jesus College te Cambridge toen ik in april in de linkerbovenhoek van de laatste bladzijde van The Times de foto zag van John Kennedy en Harold MacMillan, die te Nassau een topconferentie hielden, de zogenaamde “Bahama Talks”. De derde man op de foto was de tolk van The Right Honourable. Ik vond dat eerder hilarisch, maar was kennelijk de enige: dat de premier het Amerikaans van de president nauwelijks verstond, en dus genoodzaakt was een beroep te doen op een tolk, leek iedereen normaal te vinden.

 

André Guimbretière was ondertussen volop bezig met de organisatie van het congres van de Société de Symbolisme. Het was de bedoeling de academische wereld nauwer te betrekken bij de voorheen eerder discrete werking van het genootschap, waarvan de zetel in Genève gevestigd was. Mede in dat perspectief was de samenwerking opgezegd met Louis Pauwels, co-auteur met Jacques Bergier van het destijds zo ophefmakende Le Matin des magiciens, de bestseller die aan de basis zou liggen van de tijdschriften Planète en Bres. Het doel bleef wel de universiteit en vertegenwoordigers van de “hidden or rejected knowledge” samen te brengen rond een neutraal thema,”Les fondements du symbolisme à la lumière de plusieurs disciplines”. Guimbretière slaagde wonderwel in zijn opzet. Hij wist Gaston Bachelard te overtuigen het erevoorzitterschap van het congres te aanvaarden en kon op de volle inzet rekenen van Raymond Abellio, die het pad voor hem geëffend had in het occultistisch en traditionalistisch oerwoud, waar je vanuit het struikgewas op elk moment een al dan niet vergiftigde pijl kan verwachten.

Het congres vond op 23 en 24 juni plaats, onder massale belangstelling, in de grote zaal van het Paleis van de Unesco, avenue de Suffren in het zevende arrondissement. De academische wereld was vertegenwoordigd door dr M. Martini, deskundige in de fylogenese, door de filosoof Paul Ricœur, professor aan de Sorbonne en door Gilbert Durand, professor aan de universiteit van Grenoble, die naam en faam had verworven met zijn magistrale Structures anthropologiques de l’imaginaire. Het esoterische establishment was aanwezig in de persoon van Abellio, Jacques d’Arès, René Alleau en de pittoreske en non-conformistische astroloog Carteret. Carlo Suarès, weggenoot van Krishnamurti sinds jaren twintig, choqueerde heel wat aanwezigen met zijn uitspraak dat symbolen, net als riten, ceremoniën en doctrinevorming slechts geestelijke krukken zijn. Hij besloot zijn uiteenzetting met twee uitdagende conclusies die geheel in de lijn liggen van Krishnaji’s werk: “Les symboles sont morts, enterrons les symboles” en “La vie confond la raison et échappe au symbole”.

Abellio stond volop voor het voetlicht met zijn roman La Fosse de Babel, een turf van meer dan zeshonderd bladzijden kleine druk, waarin hij anticipeerde op de terroristische acties die zowat tien jaar later werkelijkheid zouden worden (als gewezen cagoulard was hij bijzonder goed geplaatst om “l’action dans l’ombre” te behandelen). Hij beschouwde zijn roman als een concrete toepassing en illustratie van wat hij noemde “la structure absolue”, waarover hij op het congres voor de eerste keer in het openbaar sprak. (Het gelijknamige traktaat zou in 1964 in de “Bibliothèque de Philosophie” bij Gallimard verschijnen.) Abellio waarschuwde zowel voor het gevaar van de reducerende, freudiaanse benadering van symbolen, als voor de amplificerende, jungiaanse tegenpool. Impliciet maakte hij aanspraak op een brugfunctie (naar de etymologie: een pontificale functie… ) tussen de wetenschappelijke wereld en de esoterische onderstroming. Was hij immers geen technocraat, “ingénieur polytechnicien”, afgestudeerd aan een van de prestigieuze “grandes écoles”, en tegelijk bezieler van een van de meest gesloten Parijse esoterische kringen?

De zittingen van het congres werden voorgezeten door dr. Moïse Engelson, en ik heb als gebiologeerd naar hem zitten staren. De Geneefse kabbalist kon intens, als geankerd in de diepste lagen van zijn bewustzijn, roerloos voor zich blijven uitkijken, als het ware geestelijk leviterend in een tijdloze concentratie die de actieve mystieke contemplatie nabij is.

Na afloop van het congres was er gelegenheid tot vragen stellen. In het meridionaals vuur van zijn betoog over de “structure absolue” had Abellio als voorbeeld geponeerd dat het werkwoord “zijn” in alle talen ter wereld teruggebracht kan worden tot de letters STR. Na lang aarzelen was ik toch zo voortvarend om als allerlaagste het spreekgestoelte te beklimmen om mijn scepsis uit te drukken, al was het bijvoorbeeld alleen maar wat de Germaanse talen betreft. Abellio wrong zich in allerlei bochten, bleef een helder antwoord schuldig, en toen ik maar aandringen bleef, besloot hij met de belofte dat hij schriftelijk op mijn vragen zou ingaan. Het was duidelijk dat mijn interventie door een deel van het publiek niet in dank afgenomen werd, neen, ronduit oneerbiedig en ontluisterend overkwam. Had de meester ons net niet deelachtig gemaakt aan de mysteriën van de absolute structuur? Bij het verlaten van het auditorium werd ik echter aangeklampt door een klein ventje met diep doorgroefd gelaat, een hoog voorhoofd, en lange, grijze haardos, die me vriendelijk bij de schouder nam en wat spits commentaar gaf. Tot slot van een korte maar intense gedachtewisseling zei hij met een brede glimlach: “Jeune homme, n’oubliez jamais que Monsieur Abellio est un poète.” Achteraf, toen we met enkele mensen in de kroeg zaten, zei Guimbretière waarderend knikkend: “Vous avez eu un colloque singulier avec Jean Wahl”. We bleven daar wat napraten, in voornamelijk vrouwelijk gezelschap: Marie-Claire d’Orbaix, Jeanine Moulin, hertogin Edmée de la Rochefoucauld en Dominique de Wespin, de medewerkster van Pierre Teilhard de Chardin. Ik was verbaasd over de eenvoud van die mensen die allen op een uitzonderlijke creatieve carrière konden bogen. Ondertussen weet ik wel dat alleen onbenul om aandacht schreeuwt.

Mevrouw Guimbretière vertrok als eerste en nodigde mij en Luc Norin uit ten afscheid bij haar thuis te gaan eten wat de pot schaft. Ik had het typoscript bij me van mijn bundel Textes, met de bedoeling het aan Guimbretière te overhandigen en hem te vragen een woord vooraf te schrijven – voor zover die gedichten hem publicatierijk leken en zijn zegen kregen. Door de drukte van het colloquium, maar vooral omdat ik innerlijk geremd was en dat moment steeds schroomvol vooruitgeschoven had, was het er nog niet van gekomen. Het werd een hartelijke bijeenkomst, ook al omdat André nu bevrijd was van de stress. Het congres was voorbij, het was een succes geweest, de sfeer was ontspannen. Toen het ogenblik van het afscheid gekomen was, had ik nog met geen woord gerept over mijn bundel. Van uitstel kwam nu duidelijk afstel, ik zou hem wel het typoscript met de post bezorgen, met een briefje: schrijven ging me hoe dan ook vlotter af dan spreken. Luc Norin, die een paar dagen langer in Parijs, stelde voor mij naar m’n hotelletje met de auto te brengen. Toen Guimbretière ons tot buiten uitgeleide had gedaan, zei ze plots bezorgd: “Vous n’avez rien oublié?” Toen wist ik het. Tijdens de nachtelijke rit door Parijs gaf ik haar het typoscript, met de bede het aan André te overhandigen. Zo werd Luc Norin mijn poëtische boodschapster.

Abellio hield woord en ging schriftelijk op mijn opwerpingen in: “Pour le radical STR, j’avais lu un ouvrage anthroposophique paru à Bâle vers 1947-48 et intitulé La Tour de Babel où le radical était décompté dans des langues très nombreuses. Pour les langues germaniques, il y a bien entendu werden, mais il faut alors assimiler W et S. Mais il y a surtout la déclinaison RST de wirst, la permutation RS étant alors pleine de sens. Et il y a aussi, si l’on admet que mourir est aussi être, le verbe sterben, où le B de la deuxième syllabe remplit le rôle de réceptacle du OTH des kabbalistes dans l’aSaTaRoTH bien connu. » Ik had mijn eerste les in kabbalistische filologie gekregen.

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche