Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
24 avril 2008 4 24 /04 /avril /2008 02:16

Paul Willems typeerde dada als "een ware donderslag die in heel Europa aankwam”,

ook in Antwerpen, waar mensen zoals Paul van Ostaijen en Paul Neuhuys, zonder dadaïst te zijn, zich openstelden voor de internationale bewegingen. Men heeft beweerd dat Neuhuys de eerste dichter van het absurde is, een halve eeuw voor het officiële “absurde” en zijn hogepriester Ionesco.

 

De poëzie van Paul Neuhuys (1897-1984) ontsnapt aan elke mode, aldus Paul Willems. Zij is wonderlijk fris gebleven. Of ze nu van 1923 is of van vandaag, zij schittert “als een decalcomanie, nog nat van het inkt”.

“Je suis malheureusement un poète du bonheur,” zal hij later beweren met zijn typische humor en zuurzoete glimlach, “un poète du bonheur, à qui la gloire et l’amour n’ont souri qu’à moitié et pour qui les éditions Ça ira n’auront été surtout que les éditions « ça n’a encore une fois pas marché ».” 

Poëzie is een gevecht met de nachtegalen, met de engel, met de maatschappij of met de dood. Men kan frontaal vechten, ofwel al dansend of zingend. Neuhuys vecht al goochelend met woorden die ontsnappen aan de zwaartekracht.

Ik geloof dat hij een dichter van de vrijheid is, vrijheid van geest, van woorden, van alle logische betekenis in de poëzie. Maar steeds met humor, een bijzondere humor van bij ons, vaak een verdediging tegen angst en tragiek. Geen vlucht maar een levenshouding, een manier om angst en pijn te verdragen.

 

Algemener stelt Paul Willems:

Onze Franstalige Vlaamse schrijvers verwoorden de sensibiliteit van dit land, zij zijn zelden abstract en onderwerpen zich niet aan een denksysteem. Zij vangen rechtstreeks de signalen van de wereld op: een onmiddellijke registratie, zoals bij Marie Gevers, een vertraagde, zoals bij Max Elskamp, of een weerbarstige, zoals bij Neuhuys. Het grote probleem is een taal, een schriftuur te vinden. Gezien zij in hun omgeving een andere taal horen spreken, kunnen zij niet putten uit de steeds hernieuwde reserves van de gesproken taal. Ieder van hen ziet zich gedwongen een eigen creatieve taal op te bouwen. Wij schrijven niet zoals onze collega’s uit Frankrijk. Ik beweer niet dat wij minder goed schrijven. Wij schrijven anders. Misschien is dat onze rijkdom. Het is ook ons drama.

&

Het was in de jaren zestig (en later ook nog, bij herhaling) dat Guy Vaes mijn aandacht vestigde op het proza van Paul Willems: Tout est réel ici, L'herbe qui tremble, Blessures en La chronique du cygne.

 

Paul Willems verstaat de moeilijke kunst helder te verwoorden wat moeilijk te vatten lijkt. Zowel in nuchtere aantekeningen als in verhalen die een metaforisch wereldbeeld onthullen vertolkt zijn oeuvre, dat een geheel vormt, raakpunten met de Duitse romantiek en, dichter bij ons, met Ernst Jünger.

 

Magisch realisme? “Fantastique réel”? Ik heb altijd de voorkeur gegeven aan de formulering van Roger Garaudy : “réalisme sans rivages”.

 

“Le double”, met de connotatie van dubbelganger en spiegelbeeld, het spookbeeld van en de obsessie door het verloren paradijs, door het leven verminkte personages, moreel onbehagen en artistieke schoonheid vormen de ingrediënten van Paul Willems’ universum.

 

Tout est réel ici, inderdaad. Zelfs  bontmantels die plots opnieuw tot leven komen ; voorwerpen van vegetale oorsprong die opnieuw planten worden ; fauteuils uit een concertzaal die bomen worden ; een zeilstad; een verzonken land. In Aquélone, een mythisch rijk in de monding van de Schelde, ontmoeten we een keizer die gigantische schermen laat bouwen, « paralumières » genoemd , en die plechtig een wet ondertekent waarbij alle wetten ingetrokken worden, ook de toekomstige;  volksdichters uit oude tijden ; wakers gelast met zingen in afwachting van de eeuwige terugkeer; schepen met rode en zwarte zeilen die de Schelde opvaren; en ze slepen ijsbergen voort waarvan de torens en de pieken fonkelen in de wind...

 

De overtreding van een bepaald ritueel veroorzaakt de ondergang van Aquélone in de Schelde.

Christian Berg stelt dat Le pays noyé, het laatste verhaal van Paul Willems, het verdronken land is van de Franstalige Vlaamse schrijvers. Het beeld is treffend, de interpretatie goed gevonden, maar ik ben het met mijn hooggeleerde vriend niet eens.

 

Het verzonken land is het land waaruit de poëzie verbannen werd. Het verzonken land is het land dat ten prooi viel aan de handelaars.

 

Uit de briefwisseling tussen Paul Willems en Jacques Ferrand blijkt hoezeer de genius loci van Mussenborg, het landgoed in Edegem waar Willems opgroeide, werkte en leefde, als axis mundi fungeert. Het conflict tussen de wereld van de tuinen en de niets ontziende macht van het geld was al de leidraad van Chronique du cygne (1949). Decennia later zou Willems met zoveel woorden vaststellen:

Toute la vie contemporaine tend à éloigner, à éliminer le style de vie qui existe à Missembourg depuis 1968, et qui existait dans tant d’autres maisons déjà disparues. C’était un essai de civilisation du livre, du jardin et de la poésie.

 

De strijd tussen de tuiniers en de handelaars die elkaar de macht betwisten vertoont ondertussen een planetaire, globale dimensie.

 

Paul Willems wist echter ook raak uit de hoek komen, en die ironie aan de dag te leggen die hij bij Neuhuys zo waardeerde.

Je m’appelle Astrophe et je suis un chat. Nous sommes tout pour tous et rien pour personne. Vous êtes mes chats quoique ne les étant pas et je ne suis pas votre homme. Tristan Tzara aussi était un chat. Il vivait dans un chapeau avec des bouts de papier. On a beau pousser, le temps s’arrête. Il vaut mieux dormir en boule que veiller en fumée.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche