Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
23 avril 2008 3 23 /04 /avril /2008 02:07

Le génie du Nord (1925), zo luidt de titel van een epoquemakende publicatie van André de Ridder, waarin hij het Vlaamse expressionisme en de Vlaamse kunst tout court tegenover het normatieve classicisme afkomstig uit het Franse XVIIde eeuw stelt. Die tegenstelling was echter ook in de letteren mondgemeen. Maeterlinck was een exponent van dat genie van het Noorden – en van die voortdurende verzoeking van het Zuiden.

 

De meer dan buitenissige villa “Orlamonde” van Materlinck, feitelijk een palazzo-achtige casino dat nooit in gebruik werd genomen, was daar een sprekend voorbeeld van – sprekend, in de heraldische betekenis van sprekend wapen.

 

 « Un bloc de granit ou de quartz est aussi spirituel qu’une pensée de Pascal », aldus Maeterlinck. Dat wordt geïllustreerd door zijn woningen.

 

In den beginne, in Vlaanderen, de nevelen van het Noorden. Later, Saint-Wandrille, een labyrintische abdij in de buurt van Rouen waar hij de Schotse tragedie liet opvoeren; het kasteel van Médan waar Ronsard dichtte; een kasteel-hoeve in Grouchet Saint-Siméon, in het hartje van Normandië, en dan het Mas des Quatre Chemins bij Grasse. Uiteindelijk, tussen Nice en Villefranche, een paleis met terrasgewijze aangelegde tuinen, op een rotswand die de Middellandse Zee domineert, een wintertuin met bomen rond een vijver, een aanleghaven.

 

De marmeren vlucht der trage trappen. De slagorde der Corinthische colonnades.

 

In die permanente zomer van de gedachte, het wrede middaguur van de verbeelding, wanneer de mens met zijn schaduw samenvalt. Het genadeloze licht boetseert onophoudelijk de stilte.

 

De weg naar het Zuiden als een roep naar maat?

 

Daar, in Orlamonde, wordt Maeterlinck geconfronteerd met zijn afwezige personages – Blinden, Grijsaards, Vreemdelingen, dwalende, ectoplastische wezens – eens te meer ten prooi aan tergende paniek en agitante paralyse. In het chiaroscuro van de aarzelende verbeelding van de man in de zetel stikken ze, snakken ze vergeefs naar lucht. Onbewust maar niet minder dwingend houdt hij de adem in, ontzegt hij hun die duidelijke elocutie die redding is. Ze stamelen weifelende verwijzingen die nooit tot uitdrukking komen, tasten ontwijkend tussen hond en wolf naar taal en zin, pogen zich lusteloos de enkele woorden toe te eigenen die hun incarnatie eindelijk ten volle mogelijk moeten maken. De meedogenloze vertoner duldt echter geen tegenspraak en stuurt ze slaapwandelen in het voorgeborchte van zijn tussenwereld, in duisternis en onwetendheid.

 

De onbewogen en gelaten bejaarde: drama, scène én publiek tegelijk. « Il m’est arrivé de croire qu’un vieillard assis dans son fauteuil, attendant simplement sous la lampe, vivait, en réalité, d’une vie plus profonde, plus humaine et plus générale que l’amant qui étrangle sa maîtresse, le capitaine qui remporte une victoire ou l’époux qui venge son honneur. »

 

Iemand betreedt de tuin en een doodse stilte vestigt zich. Blinden wachten op hun gids. Onder het waakzame of onverschillige oog van de toeschouwer zit de oude priester dood op scène, obsceen. De blinden gaan vaag tekeer. Zieltogen in onzekerheid en onbewustheid. Slenterend in broeikassen en uitgeput door het plukken van afwezige bloemen staart iemand naar zijn machteloze handen. Onduidelijk gegons, gestamel, het geratel van een onzichtbare koets. De lamp brandt niet of nauwelijks. Iemand wordt er zich plots van bewust dat de lucht, zwanger van samenzweringen, haast niet in te ademen is. De sleutels zijn verloren, de spiegels gebarsten. Een verre doodsklok scandeert de nacht. Wenende fonteinen in verlaten tuinen, glinsterende meren in donkere wouden, frêle prinsessen gevangen in verwoeste paleizen. Een deur gaat open maar niet dicht. Iemand scherpt een zeis te middernacht. Een vraag, een uitroep, een stilte. De actie niet, noch de dialoog. Nutteloze emplooien: niemand tekent zich anders dan nauwelijks af tegen het decor waarin het noodlot werkzaam is, niemand doorgrondt de gemoederen. De adem stokt. Een vluchtig detail, de echo van een ogenschijnlijk onbetekenend woord.

Agoniseren in de limbus.

 

Steeds de boog van dezelfde vragen gespannen over dezelfde stilte. Peilen, verkennen, aftasten. Materlinck, een sprekend wapen? Weten door meten? De tegenspraak als vraag – vaderland der ontheemdheid. Slechts wanneer ik ademhaal aan de uiterste grens van mijn gedachte, vertoef ik in mijn geboorteland”, noteert Maeterlinck.

 

Net als Baudelaire “le droit de se contredire et celui de s’en aller” ingeschreven wilde zien in de Verklaring van de Rechten van de Mens, zo eiste Maeterlinck het recht op “de se contredire sans cesse et sans pudeur dans les ténèbres.”

 

Afzijdigheid en tegendraadsheid waren zijn uitverkoren domeinen – zijn zeilschip droeg niet gratuit de fiere naam: Hérétique. Verder: opera omnia op de Index.

 

Zelden onderbrak hij de stilzwijgende maar onophoudelijke colloquia met Plotinus, Dionysus Areopagitus, Ruusbroec, Böhme, Swedenborg, Novalis en Emerson om – levend anachronisme – kortstondig onder de mensen te verschijnen. Soms leek het wel of hij een eenzaam uitroepteken was, dan weer een uitdeinende reeks gedachtenpunten. Vaak eindigen zijn geschriften op een vraagteken.

Mais la tristesse, Goland, la tristesse de tout ce que l’on voit. » En bij het lijk van Mélisande : « C’était un pauvre petit être mystérieux, comme tout le monde. »

 

De klassieke bouworde van Orlamonde in het Zuiden, in de slagschaduw van de slagorde der colonnades, wordt aldus gevuld met de onbegrensdheid van het Noorden.

 

Binnnenstebuiten nu, de unheimliche helderheid van het Roze Huis van Degouve de Nuncques of van Magrittes Rijk der Lichten. De hypnotische, verlammende blik van een vertraagde surrealist.

 

“Je vois des noces de malades…

Toute une vallée de l’âme à jamais immobile »

                                                                           zegt Maeterlinck, en zijn verbeelding wordt bevolkt door op het gazon neerliggende wolven en op het ijs stervende lammeren.

 

« Á travers de tièdes forêts

Je vois les meutes de mes songes »

                                                       en, gericht op de blanke herten van de leugen, de gele pijlen van het verdriet.

&

Was het niet Paul Neuhuys, die tegen de dominante stellingen in, het surrealisme in Maeterlincks serres chaudes zag wortelen, en niet in dada?

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche