Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
21 avril 2008 1 21 /04 /avril /2008 04:30

In de tweede helft van 1930 werden de gevolgen van de beurskrach van New York (24 oktober 1929) in België voelbaar, en de crisis zou een absoluut dieptepunt bereiken in 1932. De trotse Centaure legde de boeken neer, de collectie van de vennootschap (en van een aantal beheerders) werd openbaar verkocht, waarbij tal van meesterwerken die thans de trots vormen van buitenlandse musea voor een habbekrats van de hand gingen. [1]

André de Ridder ging zich nu als voorzitter van de Hogere School voor Handels- en Economische Wetenschappen aan de RUG vooral toeleggen op zijn academisch werk. Hij nam het directeurschap waar van het Seminarie voor Theoretische en Toegepaste Financiële Wetenschappen en ging een hele resem oenbare ambten bekleden: lid van de Hoge Raad voor de Statistiek, ondervoorzitter van de Commissie voor het Volksinkomen, ondervoorzitter van de Commissie van de Indexcijfers der Kleinhandelsprijzen en Levensduurte, ondervoorzitter van de Commissie van de Statistieken en Indexcijfers der Lonen, enz. De erkenning waarvan hij op zijn vakgebied genoot wordt bevestigd door de talrijke lidmaatschappen van binnen en buitenlandse geleerde genootschappen die hem aangeboden werden.

Maar hij bleef literair actief, zij het in wat vertraagd tempo, en publiceerde, vooral in De Vlaamse Gids, kunstkritische en kunsthistoriografische opstellen. Hij zette zich ook in voor het in stand houden van de bedreigde “Negercultuur” en formuleerde in dat opzicht praktische voorstellen[2] , waaronder de strenge reglementering van de uitvoer van kunstwerken (iets wat geenszins aan actualiteit ingeboet heeft, men denke slechts aan Irak…) In 1940 volgde nog een kunstmonografie over William de Gouves de Nuncques, gepubliceerd bij Die Poorte, de uitgeverij van de betreurde vriend Thiry Hij had echter een groot werk in petto, dat kort na de oorlog verscheen, nl. het forse boek Sint-Maertens-Laethem, kunstenaarsdorp (1946), dat in Nederlandse en Franse editie verscheen, en tot op heden een gezaghebbend en voor de belangstellenden vooral onmisbaar werk is gebleven, waarin hij zich langs zijn beste kant toont: hier is de medespeler, de getuige en de beschouwer aan het woord, de schrandere criticus en de nauwgezette historiograaf, die zijn onderzoek doorspekt met levendige persoonlijke herinneringen.

In 1943 publiceerde Gaston Burssens een monografie over Floris Jespers bij De Sikkel. Hij had de dichter en romanist Robert Guiette (broer van de schilder René Guiette) aangesproken om de Franse vertaling te verzorgen, maar Guiette was al te zeer benomen door zijn academische verplichtingen, zodat de dichter Paul Neuhuys uiteindelijk de klus klaarde. André de Ridder stelde toen een aantal foto’s van werken in zijn bezit ter beschikking van Burssens. Ze zagen elkaar bij de begrafenis van Gust de Smet te Deurle, en De Ridder kreeg een lift naar Antwerpen van Burssens. Op 16 oktober 1943 nodigde Burssens hem uit op te komen avondmalen met Jozef Muls en Floris Jespers, maar De Ridder kon zich niet vrijmaken. Op 7 december 1943 pakt De Ridder uit met een zakelijk voorstel:

Van Jespers gesproken, heb ik U een voorstel te doen. Ik ben in het bezit van een heel mooi schilderij, uit den neo-cubistischen tijd van dezen schilder “Aquarium”, een schilderij, dat ik, jaren geleden (het dagteekent van 1924) van Paul van Ostaijen heb gekocht. Dit werk zou ik wenschen te verkoopen, ten einde met het van dezen verkoop voortkomend bedrag, plus een aanvulling in versch geld, een ander, meer recent werk van Jespers voor mijn verzameling te bemachtigen. Het toeval wil inderdaad dat ik vooral in het bezit van verschillende vroegere werken en daarentegen van heel weinig meer recente werken van Jespers ben. Ik weet dat U een belangrijke verzameling van werken van Jespers aan ’t aanleggen bent, waarin dit uitstekend werk uit dezes neo-cubistische periode, naar mijn meening, plaats zou kunnen nemen. De prijs dien ik er voor vraag, is uiterst bescheiden, in vergelijking met de huidige prijzen van den schilder: 10.000 frs. Door dit werk te koopen, zoudt U niet alleen aan mij aan dienst bewijzen, maar ook aan Uw vriend Floris, want het geld zou in zijn handen terecht komen, benevens de aanvullende som, welke ik hem zou storten voor het nieuwe werk, dat ik in ruil voor dat andere zou kiezen. En zoo zouden mijn belangen, de zijne en misschien ook de Uwe door deze ‘zaak’, die er geen is, gediend zijn.[3]

Hier horen we de échte verzamelaar aan het woord die, vanuit zijn fascinatie voor de ontwikkeling van een schilder, er op uit een representatieve collectie aan te leggen en desnoods bereid is een werk op te offeren om er een andere te kunnen verwerven.

Burssens ging op De Ridders voorstel in, en had trouwens belangstelling voor werk van Frits van den Berghe. De Ridder bezat immers niet alleen, naast kleinere werken, “De Boeteling” - een groot doek van 1,30 m op 1 m dat Van den Berghe zelf als zijn meesterwerk beschouwde - maar ook “De onbekende kompel”, “De goede herberg” en “Boeren in de herberg”, alle topwerken, die hij in een kluis bij de Nationale Bank op de Leopoldplaats bewaarde. [4]

Burssens zou aan De Ridder danken dat hij in 1946 verzocht werd aan De Vlaamsche Gids mee te werken.[5] Bovendien bewees De Ridder een dienst aan zijn vrienden Jespers en Burssens:

De Editions Lumière, te Brussel, geven een album over de belangrijkste Belgische schilders van dezen tijd uit. In de lijst ontbrak Jespers. Ik heb bij Gust van Hecke herhaaldelijk en met klem aangedrongen opdat dit onrecht niet zou geschieden. Op zijn vraag wie eventueel (d.w.z. in de hypothese dat de uitgeversfirma aan mijn protest gevolg zou geven) het artikel over Jespers zou kunnen schrijven (over elk schilder wordt door een ander recensent gehandeld), heb ik onmiddellijk gereageerd door Uw naam te vermelden. Mocht U dus een aanvraag worden toegestuurd om aan voormeld album mede te werken, reken ik er op, dat U toestemmend zult antwoorden.” [6]

De Ridder maakte trouwens van de gelegenheid gebruik hem “een paar exemplaren van de clichés, welke door de Duitsche censuur uit Uw boek over Floris Jespers geweerd zijn geworden, te willen bezorgen, ten einde mijn exemplaar en dat van een paar vrienden te completeeren.”  Dit verzoek had wellicht een dubbele bodem, zoals blijkt uit volgende brief:

“Ik dank U voor de weleer ‘veroordeelde’ reproducties van Jespers, welke mij, door Uwe bemiddeling, door “De Sikkel” toegezonden zijn geworden. Het toeval wil dat in die weggelaten bladzijden juist de drie mij toenmaals toebehoorende doeken voorkomen, welke U in Uw werk hebt opgenomen, zoodat ik, die ondanks alles een der belangrijkste verzamelaars van Jespers’ werk ben, tengevolge van het optreden der Duitsche censuur, in Uw boek door geen enkel van de tot mijn verzameling behoorende doeken vertegenwoordigd ben. Maar ik weet wel, dat het niet Uwe schuld is, zoo zulks is gebeurd… Laten we hopen, dat het U eerlang mogelijk zal zijn een tweeden, aangevulden druk van Uw mooi boek te publiceeren, waarin deze leemte zal worden verholpen.” [7] Ondertussen had De Ridder zijn forse boek over Sint-Maertens-Laethem, kunstenaarsdorp gepubliceerd, dat in Nederlandse en Franse editie verscheen. In dit tot op heden gezaghebbend en onmisbaar werk toont De Ridder zich langs zijn beste kant: hier is de medespeler, de getuige en de beschouwer aan het woord, de schrandere criticus en de nauwgezette historiograaf die zijn onderzoek doorspekt met levendige persoonlijke herinneringen.[8] Op verzoek van Jozef Muls had Burssens dit boek, samen met Paul Haesaerts’ L’École de Laethem St Martin, in Dietsche Warande en Belfort besproken. Burssens, die in die periode aan een boek over het expressionisme werkte waar slechts fragmenten van bewaard zijn, was niet mals geweest voor Haesaerts: “alles wat hij schrijft [is] bijna altijd juist als het niet bijna altijd verkeerd is. Hij is een man van 50 %. Hij is altijd maar iets voor de helft: een half schilder, een half décorateur, een half architect en vooral een half criticus. Ook zijn boek is half en half” (…) Bij de Ridder vinden we niet die valse eruditie van Haesaerts, maar een gedegen, doorgronde kennis van zijn onderwerp tot in zijn kleinste en meest verborgen uithoeken.” De monografie van De Ridder, “hoe zakelijk ook uitgesponnen, [is] zo overtuigend van bewijsvoeringen en, trots haar zakelijkheid, zo warm aan gezond medevoelen en eerlijke mededeelzaamheid, dat wij ze als het definitieve standaardwerk over de Latemse schilders zouden kunnen beschouwen, waren daar niet een erge leemte […].”[9] Hier treedt nu Van Ostaijen op de voorgrond: “Wanneer de historiek van het expressionisme wordt gemaakt, zelfs dan wanneer die historiek maar even wordt aangeraakt, dan gebiedt de eerlijkheid dat de naam van Paul van Ostaijen worden vooropgesteld. Vóór de Ridder, vóór P.G. van Hecke, vóór gelijk wie, is het van Ostaijen geweest die in Vlaanderen (1917 en 1918) het expressionisme heeft geproclameerd. Paul van Ostaijen is bij ons de heraut geweest van de schilderkunstige en literaire beweging die Vlaanderen in het brandpunt van de kunstprestaties heeft geplaatst. Dit te hebben over het hoofd gezien is een vlek die het anders zo schitterend boek van de Ridder ontsiert.”

De Ridder reageerde als volgt:

Laat mij toe U innig dank te zeggen voor Uw degelijke en diepzinnige bespreking (…) van de twee boeken over Laethem. De duchtige afstraffing, aan de hand van overtuigende argumenten, van den voorzeker talentvollen maar des te meer, om zijn gemis aan rechtzinnigheid en logisch doordenken, gevaarlijken superdilettant Paul Haesaerts is, jammer genoeg, maar al te verdiend. Wat Uwe vleiende beoordeeling van mijn boek betreft, dat ik inderdaad met heel mijn hart heb geschreven, en met heel mijn diepe overtuiging en mijn onverwoestbare trouw aan mijn vrienden en hun esthetiek, ben ik U daar zeer erkentelijk voor, te meer dat het mij niet onbekend is, dat U een streng rechter zijt.

Wat Uw opmerking over het niet-vermelden van Paul van Ostaijen’s rol betreft, hebt U misschien gelijk, al wensch ik er U opmerkzaam op te maken, dat het niet in mijn inzicht lag de geschiedenis van het expressionisme in België te schrijven. Wanneer ik dat doen zal, en ik hoop er nog, in de mij overblijvende jaren, den tijd voor te vinden, dan zal ik niet nalaten van Ostaijen’s beteekenis in het licht te stellen. Maar van nu af aan had ik zijn naam kunnen vermelden. Indien ik het niet gedaan heb, is zulks ongewild, omdat het mij niet te binnen is geschoten, dat zulks noodzakelijk kon zijn: in elk geval kan ik U de verzekering geven, dat ik te goeder trouw heb gehandeld en dat het niet uit miskenning is dat ik voorlopig van Ostaijen heb verzwegen.” [10]

Het gaat toch wel om een merkwaardige, haast freudiaanse lapsus, temeer daar De Ridder kort na de dood de dichter een hommage aan “Paul van Ostaijen als kunstkenner” publiceerde, waarin hij uitdrukkelijk gewag maakte van diens kunstkritische opstellen, “hoogst interessant door hunne diepe en oorspronkelijke inzichten”.[11]

Henri-Floris JESPERS

 



[1] Henri-Floris JESPERS, Floris Jespers en de gay twenties, Antwerpen, The Private Press, 1989, p. 101.

[2] A. DE RIDDER, Negerkunst, vroeger, nu en later, 1937.

[3] Brief van A. de Ridder aan G. Burssens, 7 december 1943.

[4] Brieven van A.de Ridder aan G. Burssens, 28 juni, 13 en 27 juli 1944.

[5] Jan Schepens vroeg Burssens een artikel over Victor J. Brunclair, dat in april 1946 in De Vlaamsche Gids verscheen (XXX, nr. 5, pp. 276-278).

[6] Brief van A. de Ridder aan G. Burssens, 3 maart 1946. Over Paul-Gustave van Hecke, zie vorige afleveringen.

[7] Brief van A. de Ridder aan G. Burssens, 22 maart 1946.

[8] André de Ridder, Sint-Maertens-Laethem, kunstenaaarsdorp, Brussel, Manteau, 1946, 487 blz. ill. De opdracht in het exemplaar van Floris Jespers luidt: “Voor Floris Jespers, voor den ouden vriend en strijdgenoot, voor den voortreffelijken kunstenaar, André de Ridder, Juni 1946.”

[9] Gaston BURSSENS, Over de Latemsche schilders, in: Dietsche Warande en Belfort, februari 1946, pp. 112-119. Geciteerd naar: Gaston BURSSENS, Verzameld proza, Antwerpen & Amsterdam, Elsevier Manteau, 1981, pp. 396-407.

[10] Brief van A. de Ridder aan G. Burssens, 22 maart 1946.

[11] Jozef MULS, Victor BRUNCLAIR, Gaston BURSSENS e.a., Paul van Ostaijen, Antwerpen/Brussel/Leuven, Standaard Boekhandel, 1928, p. 52.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche