Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
18 avril 2008 5 18 /04 /avril /2008 04:17

Tijdens de hele duur van de oorlog verbleef André de Ridder (2 oktober 1888 – 1 juli 1961) in Nederland, waar hij les gaf aan het Belgische Atheneum te Amsterdam. Hij was één van de vijf oprichters van het dagblad De Vlaamsche Stem (1 februari 1915) en nam het redactiesecretariaat waar van de oorspronkelijke redactie van dit “Algemeen Belgisch dagblad”. De krant stond onder hoofdredactie van de latere socialistische senator Alberic Deswarte. Tot de redactie behoorden o.m. Cyriel Buysse en René de Clercq (collega van De Ridder op het atheneum) en de krant kon bogen op een schare uitgelezen en invloedrijke medewerkers, o.m. Jules Persijn, Julius Hoste jr, Frans van Cauwelaert, Karel van den Oever, Leo van Puyvelde en Filip de Pillecyn. Het politieke programma van De Vlaamsche Stem was duidelijk: loyaliteit aan de Belgische staat en trouw aan de strijd voor en ontvoogding van Vlaanderen gaan hand in hand.

De keizerlijke gezant in Den Haag, Richard von Kühlman, was een kunstliefhebber en verzamelaar van Nederlandse schilderijen uit de XVIIde eeuw. Hij was omringd door kunstenaars en schrijvers en hechtte veel belang aan de culturele beïnvloeding van het neutrale Nederland – wat hijzelf noemde pénétration poétique. Bij het spinnen van een efficiënt netwerk speelde de directeur van de Kunsthalle van Mannheim, Fritz Wichert, een belangrijke rol. Met dat doel had hij een geheime organisatie in het leven geroepen, die de naam “Hilfsstelle” meekreeg en onafhankelijk van de ambassade ondergebracht was in een gebouw aan de Haagse Van Speyckstraat, eigendom van de bankier Eduard von der Heydt. De ingewijden noemden het gebouw betekenisvol der Musenhof. De “Hilfsstelle” gaf via een Nederlandse omweg in hoge mate mede gestalte aan de “Flamenpolitik” en beschikte over een “Vlaams-Belgische Dienst”, waaraan de in Nederland uitgeweken Leo Picard meewerkte. “Vertrauensmann” van de “Hilfsstelle” was Frederik Carel Gerretson (de dichter Geerten Gossaert, die aan De Boomgaard had meegewerkt), en wiens dichtbundel Experimenten vertaald werd door Rudolf Alexander Schröder. De “Hilfsstelle” speelde een fundamentele rol in het ontstaan van een Vlaams-activistische exilpers in Nederland. Vooral dan bij de omvorming van De Vlaamsche stem “von einem deutschfeindlichen in ein deutschfreundliches Blatt, nachdem Anteile der Zeitung von Gerretson und Wichters niederländischem Schwager aufgekauft waren.”[1] De Ridder maakte de intriges rond het blad mee en trok zich in augustus 1915 terug. Onder de nieuwe leiding – René de Clercq en Antoon Jacob – begaf het blad zich resoluut in activistisch vaarwater.

De Ridder had geen zit in ’t gat. In 1916 was hij een van de initiatiefnemers tot de oprichting in Amsterdam van de Belgische Moderne Kunstkring “Open Wegen - La Voie Libre”. De kring ontstond in eerste instantie als een daad van verzet tegen de benepen en “enggeestige kunstpolitiek” van de vertegenwoordigers van de Belgische regering in Nederland. Tevens was het een poging tot groepsvorming (de vlag “Open wegen” verwijst trouwens nadrukkelijk naar de gelijknamige Latemse kunstkring, in 1902 opgericht door Karel van de Woestijne): “We wenschten paraat te zijn voor de onderneming, welke we ons voorgenomen hadden onmiddellijk na het sluiten van den wapenstilstand in België zelf op touw te zetten, ten einde daar de zege van de enig heilzame kunst te bevechten, degene waaraan we al onze krachten hadden verpand.”[2]

De Ridder was in 1909 door zijn vriend Paul-Gustave van Hecke geïntroduceerd bij de schilders van de tweede Latemse groep, en ze verleenden graag hun medewerking: Gust. De Smet en Frits van den Berghe in Nederland; Permeke, Leon de Smet en Gustave van de Woestijne vanuit Engeland – maar ook Hippolyte Daeye, Jules Schmalzigaug, Jozef Cantré en de architecten en urbanisten Louis van der Swaelmen en Huib Hoste.

Contacten tussen België en Nederland waren schaars en liepen veelal over Engeland, kranten en brieven werden over de grens gesmokkeld, wat verklaart dat De Ridder en zijn vrienden geen benul hadden van de kunstontwikkeling in België – net zoals Paul Joostens, Paul van Ostaijen en de gebroeders Jespers zogoed als onwetend waren over de evolutie der Vlaamse schilders in ballingschap.

De Ridder bleef ook literair actief. Vanaf oktober 1915 verzorgde hij voor het weekblad De Amsterdammer een vaste rubriek onder de titel “Van Vlaanderen”. Hij werkte mee aan literaire tijdschriften als Groot Nederland en Den Gulden Winckel, en hij publiceerde twee geromantiseerde biografieën: Ninon de Lenclos en de Vrouwen der XVIIe eeuw (1915) en Jean de la Fontaine. Zijn vrienden en Vriendinnen – Een dichtersleven in de XVIIe eeuw.

Naar eigen zeggen hield Couperus niet van interviews, die hij uit den boze vond, net trouwens als portretten en kiekjes. Hij weigerde dan ook in 1913 mee te werken aan De jongere generatie, een bundel interview van E. D’Oliviera. De Ridder wist echter tot hem door te dringen. Het interview werd afgenomen op 2 maart 1916, gepubliceerd in Den Gulden Winckel en verscheen achteraf, bewerkt en geactualiseerd, in boekvorm bij Veen, de uitgever van De Ridders monografieën over Streuvels en Verriest uitgegeven had.[3]

Wanneer hij in februari 1919 naar België terugkeert, is hij nog net geen 31, maar hij kan er prat op gaan in de Vlaamse letteren het dilettantisme te hebben geïntroduceerd, het literair interview en de geromantiseerde biografie. Bovendien heeft hij nu met “Open Wegen” concrete ervaring opgedaan met de kunstwereld.

Hij contacteert meteen zijn vriend Paul-Gustave van Hecke. Samen zouden ze de modernistische krachten bundelen. En inderdaad, ze zullen een onuitwisbare stempel drukken op de evolutie en doorbraak van wat bekend zou worden als “het Vlaamse expressionisme”.

Geen groter contrast dan tussen De Ridder en Van Hecke.

&

Paul-Gustave van Hecke (27 december 1887 – 23 februari 1967) werd geboren in een Gentse volksbuurt, de Meulestede, in een zeer arm arbeidersgezin. Zijn vader maakte deel uit van de militante kern rond de socialistische voorman Eduard Anseele. De jonge Gust bracht zijn kinderjaren in dezelfde omstandigheden door als zovele andere fabrieksslaafjes: voor hij de lagere school beëindigd had, diende hij reeds bij te dragen tot de kostwinning van het gezin. Wie Gent zegt, zegt weverijen – het toen voorspelbare lot van zovele proletariërskinderen. Gust belandde bij de machtige Usine Coopérative Cotonnière. Hij zou later zelf zijn kinderjaren in één zin resumeren: « De klok slaat vijf. »

Inderdaad, “il fallait… se lever à cinq heures, si l’on voulait commencer le travail à six. Un appel du père, ou de la mère, retentissait dans le noir, ou au petit jour, et il s’agissait de se hâter. On gagnait alors l’atelier qui était situé sur les bords de la Lys, le frère aîné tenant sa jeune sœur par la main. Et on marchait, un caban sur les épaules, avec un cruchon de café chaud, dans une poche, et des tartines dans l’autre. Ces enfants avaient conclu un pacte. Il était convenu qu’alternativement, l’un des deux ferait la route les yeux fermés, c’est-à-dire en sommeillant encore un peu, tandis que l’autre signalerait les obstacles et l’approche des trottoirs… Rude apprentissage de la vie pour ces petits plébéiens… »

Als jongeman was Gust bevriend met de ouders van Johan Daisne die tot hetzelfde sociaal vooruitstrevend en idealistisch informeel clubje behoorden. Johan Daisne getuigt dat Gust “een aparte verschijning was in dat jugenstilkader”; hij was “een mooie bleke jongeman” die “terecht zelfbewust liep… in een bruin ribfluwelen buis en zwartzijden lavallière”.

Gust werkt zich op tot secretaris van de Gentse Socialistische Jonge Wachten en lid van de plaatselijke partijraad, doch lag voortdurend overhoop met de leidende figuren van de BWP, tot hij haast uitgesloten werd (zo getuigde Emile Langui). Hij neemt contact op met de Antwerpse marxistische en antimilitaristische groep rond de woelige en onrustige Hendrik de Man. Spoedig echter zullen de wegen van de telg uit de welgestelde en gecultiveerde burgerij en de proletariërszoon uit elkaar gaan: De Man kiest voor de politiek, Van Hecke voor het toneel, en hij ontpopt zich spoedig tot de onbetwiste animator van het Gentse vrijzinnige cultuurleven. In 1908 sticht hij (samen met Oscar de Gruyter, Frits van den Berghe, Reimond Kimpe e.a.) de baanbrekende “Vlaamsche Vereeniging voor Tooneel en Voordrachtkunst”, waarvan hijzelf een der begaafdste spelers was”, zo herinnerde zich zijn compagnon De Ridder. Met Nieuw Leven (1908-1910) sticht hij zijn eerste tijdschrift (voorloper van een hele reeks), waarin hij niet alleen zelf debuteerde, maar ook Daisnes vader, de dichterlijke idealist Leo Michel Thiery, die er zijn eerste natuurwetenschappelijke opstellen publiceert.

Het literair werk van Gust van Hecke werd jammer genoeg nooit gebundeld. De Ridder stipt aan dat Gusts debuut in litteris alom geprezen werd “als de openbaring van een krachtig en fijn, psychologisch doordringend en bij uitstek modern talent”. Laat deze formulering nog gekleurd zijn door de mildheid van De Ridders vriendschap, Paul Kenis van zijn kant heeft ongetwijfeld gelijk wanneer hij stelt dat in Van Heckes ironie rond 1910 een nieuw geluid klonk: “Het was de ironie, die een masker van cynisme voorbindt, liever dan het eigen leed ten toon te dragen; die er mee spot en het verguist – een houding die, in haar volle eerlijkheid, een der meest hartstochtelijke uitingen geworden is van moderne sensibiliteit. Noch Herman, noch Karel van de Woestyne hadden, op dat ogenblik, zoo ongenadig den spot met eigen gevoeligheid gedreven, als deze nagenoeg totaal onbekende auteur in zijn Drie Vreugden uit het leven van Johan Meylander.”

Van Hecke vestigde zich in 1909 te Sint-Martens-Latem, waar hij gul onthaald werd door Karel van de Woestyne. De rol die deze laatste bij de kolonisten van de eerste Latemse groep had vervuld, werd nu als vanzelfsprekend door Gust overgenomen ten opzichte van de schilders van de tweede groep. Al verdiept hij zich nu in de schilderkunst, Van Hecke blijft geboeid door het toneel. Hij leest Peer Gynt van Ibsen, Salomé van Oscar Wilde, en de stukken van Shaw en Porto-Riche, toneelschrijvers met wie hij dweepte. In 1911 publiceert hij in boekvorm een drama in één bedrijf, De Schoone droom, en ook hier  bleek hij een vernieuwer. “Lang voor de huidige herleving van het Vlaamsch toneel”, aldus Kenis in 1930, toen een vloeiend dialoog op onze planken nagenoeg onbekend was, publiceerde hij eenakters (…) die, én wat de uitbeelding der karakters, én wat de scenische hoedanigheden betreft, mogen vergeleken worden met het beste van wat er vijftien of twintig jaar later voor het voetlicht zou worden gebracht. Voor het eerst vinden wij hier een psychologisch conflict, logisch ontwikkeld, bij werkelijke mensen uit onze tijd, in een zuivere, ook literair verzorgde taal. Toch is dit geen ‘literair toneel”, maar bij uitstek technisch werk (…) afgekeken van het dagelijkse leven zoals wij het in onze steden voorbij zien gaan.”

De stad – het woord is gevallen. Met De Ridder zou Van Hecke haast vanzelfsprekend de leidende figuur van De Boomgaard worden.

In tegenstelling tot Dédé bracht Pégé de bezettingsjaren in België door. Emile Langui vermeldt laconiek dat de oorlog hem naar Brussel dreef. Hij maakte daar kennis met Honorine de Schrijver, die een modehuis runde. Ik ontdekte bovendien dat hij meewerkte aan de activistische pers, alleszins als correspondent van De Vlaamsche Post, de Gentse radicaal-activistische krant van ds Domela Nieuwenhuys, leider van Jong-Vlaanderen.

&

Bij hun eerste ontmoeting na de oorlog te Brussel wist De Ridder het vuur van zijn aanstekelijk enthousiasme voor het jongste werk van hun gemeenschappelijke vrienden schilders door te geven aan Van Hecke, die meteen naar Amsterdam en Blaricum vertrok om zich ter plaatse de visu te vergewissen van de evolutie van zijn vrienden Gust de Smet en Frits van den Berghe. Onmiddellijk gewonnen voor hun nieuwe kunst, haalde hij alvast De Smet over terug te keren naar België. Van den Berghe “verkoos nog een poos te Blaricum te vertoeven”, schreef De Ridder pudiek. In feite kon hij moeilijk anders, want hij was onzeker over wat hem in België te wachten stond. In 1914 was hij zoals zovele anderen voor het oorlogsgeweld naar Nederland gevlucht, maar in de zomer van 1917 had hij zich in Brussel gevestigd, waar hij dank zij directeur-generaal J. Haller von Ziegesar een betrekking van chef de bureau kreeg op het Vlaamse, gesplitste, ministerie van Wetenschappen, Kunsten en Onderwijs. Bij het naderen van het einde van de oorlog week hij opnieuw naar Nederland uit, nu echter onder een valse identiteit en om politieke redenen.

Henri-Floris JESPERS



[1] Ulrich TIEDAU, Deutsche Kulturvermittler in Belgien 1914-1918, in: Roland BAUMANN/Hubert ROLAND (Hrsg.), Carl-Einstein-Kolloquium 1998, Frankfurt am Main, Peter Lang, 2001 (Bayreuther Beiträge zur Literaturwissenschaft, Band 22), pp. 152-155.

[2] André DE RIDDER, Sint-Maertens-Laethem. Kunstenaarsdorp, Brussel, Manteau, 1946, p. 418.

[3] H.T.M. VAN VLIET, Brieven van Louis Couperus aan… André de Ridder, in: Arabesken, 8 (2000), nr. 16, pp. 27-36. Met dank aan Gert Vingeroets die mijn aandacht vestigde op dit belangwekkend artikel.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche