Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
17 avril 2008 4 17 /04 /avril /2008 03:16

Zondag 12 januari.

 

Meditatie in bed, voor het slapengaan, naar aanleiding van de dood van Christines echtgenoot. Ik geraak héél dicht bij het denken van het niets. Een nanoseconde fel “inzicht”. Het is net of de temperatuur plots tien graden daalt: wind, neen, een bries – en dan meteen zoiets als tristitia post, ook maar slechts een nanoseconde. Je zou snel van “bliksemen” gewagen, maar dat is het helemaal niet, neen: alles rustig, vanzelfsprekend, zonder enige spanning. En dan komt plots een zin op: “Als er iets vóor was, is er ook iets nà.” En het solide weten dat er inderdaad iets vóor was. Al jaren lijkt het me meer stimulerend te denken wat er was voor mijn bewustzijn, dan vragen te stellen over een “hiernamaals”.

 

Wanneer ik daar nuchter over nadenk, dan stel ik vast dat ik zowat begiftigd ben met een spontane amor fati. Die onbewogenheid of άταραξείά heeft geen uitstaans met ongevoeligheid, neen, een gegeven, dat echter geenszins gebrek aan mededogen betekent, integendeel. Dat mededogen is echter een rustig gegeven, vrij van welke dramatisering ook. Niets, inderdaad, van sentimentaliteit (en daar kan ik me soms wel aan bezondigen). Zeer vroeg had ik zoiets als een oersterke metafysische verankering, maar dan zonder fioritures of ikbetrachtende verzuchtingen - zonder dat zelf terdege te beseffen, het was er, sans plus. Misschien wel iets van het bewustzijn van abyssus. De onmetelijke ruimtes waar Pascal het over heeft schikken me niet af, ik draag ze in mijn binnenste, bepaal ze wellicht zelf. Je moet niet angstig zijn nieuwe landschappen te bewonen of onbekende paden in te slaan, dat doen we toch voortdurend, en we merken het niet eens. Hoeveel levens heb je tijdens de voorbije decennia niet geleefd? En wanneer je terugblikt, dan is het net of je kijkt naar een tekenfilm. Ik blik terug op mijn jaren bij Impact, de gelukkigste in mijn leven (ik wist toen nog niet beter), of op de jaren op het kabinet, en het is net of ik een zoveelste essay ga schrijven over een figuur waar ik (vage of sterke) affiniteiten mee heb. Een zwakte? Een sterkte? Ik weet het niet, en het doet er niet toe.

Ik heb altijd een goede verstandhouding met mijn ouders gehad, en toch denk ik er zelden aan. Soms bezoeken ze me tijdens mijn slaap, schimachtige figuren versmolten in een interieur. Zelden spreken we – en echt dialogeren deden we vroeger ook niet. Op dat vlak ben ik een levend voorbeeld van de ongegrondheid van freudiaanse opvattingen en andere gangbare psychologische inzichten. Ik ben het met Cocteau eens dat al dat psychologisch gedoe gelijk staat met het inbreken in een leeg appartement. Een telefoon rinkelt in een lege kamer. Boodschappen uit en naar nergens worden per fax doorgestuurd. SMS-jes uit het niets.

De innerlijke leegte waar Krishnamurti over spreekt: vol-ledig. De on-grond van Erik van Ruysbeek – die uiteindelijk niet zo ver verwijderd is van de gekwelde worsteling van Flam met het leven.

Maandag 13 januari.

Ingewikkelde en langdurige dromen, onmiddellijk bij het ontwaken verdampt. Tijdens het dromen zelf worden echter beelden en toestanden significant genoeg bevonden om aan de dromer bedenkingen te ontlokken: zeker onthouden! analyseren! verder op ingaan [1]!

De kamerfiets als disciplineringsmachine: “les machines célibataires”, Kafka’s In der Strafkolonie, het bordeel als disciplineringsmachine (Ika Loch) bij Van Ostaijen. De lessen LO, destijds, als aanschouwelijke evocatie van de drilfunctie van het onderwijs.

Het vermoeden van onschuld is een begrip wat blijkbaar niet tot het arsenaal van de media behoort. De schade is hoe dan ook onherstelbaar.

Destijds geloofde men nooit wat kinderen zegden, vandaag gelooft men alles wat ze zeggen. Zou vandaag een leraar lichamelijke opvoeding nog de rug van zijn leerlingen onder de douche mogen masseren, zoals Vandenbergh destijds op het atheneum deed? Dat zal wel niet. Loop nog maar eens als leraar rond in de kleedkamers. En toon me eens die onschuldige jongen of meisje van vijftien jaar.

Enerzijds de allesteisterende zogenaamde emancipatie en permissiviteit (tolerantie wordt voortdurend men laksheid verward), anderzijds de infantilisering van de maatschappij.

Het werkwoord mededelen, net zoals het Duitse mitteilen, wijst op verdeling. In de mededeling deel ik iemand iets mee. Er is er duidelijk een proces van fragmentatie aan de gang. Het Franse communiquer wijst daarentegen op eenheid. Een poging wordt ondernomen spreker en toehoorder te verleiden tot een gemeenschappelijk delen, een gemene deler. Communicatie is daarenboven verwant met communie. Communiceren beoogt impliciet een algemeen goedvinden, communiëren de algehele deelname en overgave aan de eenheid. Tegenover de Latijnse eenheidsbetrachting staat de Germaanse verdeeldheid: geen mededeling zonder delen.

Hoe moeilijker uitspreekbaar de naam, hoe beter de whisky.

Donderdag 16 januari.

Plots, kort na middernacht en heel wat kopjes koffie, zin in een fris biertje. “La bière glacée du Ritz”, waar Proust het over heeft.

Zondag 26 januari 2003.

Ze zijn allemaal al op voorhand met de begrafenis van René bezig alsof het om een mondaine aangelegenheid gaat. Het eigen ego strelen. Massage.

Wat moet ik over hem zeggen?

De vorige keer dat ik de aula stond, was het om Albert te groeten. Pope stone, Halley. De lege zaal.

René vond telkens opnieuw dada uit, maar terwijl de dadaïsten de kunst negeerden, zag René in alles kunst.

Tegelijk onthecht, maar toch eerzuchtig. Kinderlijkheid: hoe hij telkens opnieuw kon lachen met zijn eigen papegaai van Flaubert.

De moppentapper: idem dito.

Ik zal spreken namens de zovelen die hem niet gekend hebben (en die bijgevolg ook een stem moeten krijgen op de uitvaartplechtigheid, al was het maar omdat ze de meerderheid vormen).

Hij was taai, optimistisch, altijd boordevol ideeën, nooit verlegen voor een initiatief meer of minder.

Genereus: het realiteitsprincipe was aan hem niet besteed.

Maandag 27 januari.

Op 1130 ben ik op de kliniek. De kamer is leeg. René is vanochtend om 7 uur gestorven. Tania was er bij en “het was innig”, zei de zuster.

Zondag 2 februari.

 

Om Cleopatra te behagen plunderde Antonius de bibliotheek van Pergamon. De Ptolemaeën waren monomane verzamelaars: ik wil de eerste zijn, het meeste bezit bijeen krijgen. Ze vroegen de originelen van de tragedies van Aischulos, Sophokles en Euripides te leen aan de bibliotheek van Athene, die de zaak niet betrouwde en een enorme som als waarborg vroeg (de reputatie der Ptolemaeën was blijkbaar al gevestigd…). En toen ze manuscripten in handen hadden, konden de Atheners zich met geld tevreden stellen. Ze hadden het monopolie van papyrus. Vandaar dat Pergamon een vervangdrager dienden te ontwikkelen: perkament (pergameion). Pergame, parchemin.

Heeft Caesar de bibliotheek in brand gestoken? Dat lijkt er niet naar. Wel ging een stapelplaats in de vlammen op, maar het kunnen even goed onbeschreven papyri zijn geweest. Hebben de christenen de bibliotheek vernietigd? Dat de Arabische veroveraars de schuld dragen, wordt alleen bevestigd door een manuscript in het Syrisch (“syriaque”) van een… christene. (“Indien het Korans, we hebben er genoeg, verbranden! Indien het geen Korans zijn, kunnen we ’t niet gebruiken, verbranden!”)

K-pax: typische mengeling van wetenschappelijk verantwoord geloof in psychiatrie en “new age”-achtige toestanden. Erg overtuigend gespeeld. Frank hackt al die films van internet, probleemloos.

 Wie zijn tijd niet verliest, verliest zijn leven.

 Het werk beschermt de maker niet.

Traitement de la névrose : application des sangsues et des cataplasmes sinapisés et l’administration de douches froides et du fouet. La flagellation, vantée depuis l’Antiquité pour ses vertus curatives, était particulièrement recommandée comme remède à la folie. Le cas du Dr Dumont.

 Zaterdag 22 februari.

Et si l’éternité était présente dans cette main posée sur un chat ? De eeuwigheid vervat in dat eenvoudig contact dat geen andere bestaansreden, drijfveer of doel heeft dan gewoon zichzelf ? Nu ik dit schrijf komt Chica voor mijn klavier staan, kijkt me diep in de ogen en lekt mijn wenkbrauwen.

Je neemt ook je eigen dood onder ogen, onbewogen en zacht bewust. Eerst had ik “scherp bewust” geschreven, maar het adjectief scherp past niet bij de rust die met dat statisch, onbewogen, roerloos bewustzijn gepaard gaat.

Zaterdag 22 maart.

Ik had acteur moeten worden. Als kind voerde ik al met mijn broer toneelstukken op in de garage van de Marialei: de dood van Nero, de zelfdoding van Petronius, de aankomst van d’Artagnan in het Louvre met de diamanten van de koningin. Toen al was ik enigszins dwangneurotisch en wanneer Pierre afweek van het scenario, barstte ik in woede uit. Ik verdacht hem ervan, terecht of ten onrechte, dat hij dat doelbewust deed, gewoon om mij op stang te jagen. Of was het toch zo dat het door mij zorgvuldig bedacht en ter plekke meegedeeld draaiboek ietsje te byzantijns voor hem was? Daar had ik alleszins geen oog voor. Of wilde hij me toch inventief plagen, met de onvermijdelijke uitval als bekroning op het werk? Zich houden aan scenario is een absolute eis!

Wanneer de opvoering dan onvermijdelijk in het honderd liep, node onderbroken moest worden om de schade te herstellen en van voor af aan hernomen werd, voelde ik me verraden, schandelijk in de steek gelaten.

Op de lagere school, wanneer de meester vrijwilligers vroeg om in een stuk te spelen, nam steevast mijn schuchterheid de bovenhand. “Pour vivre heureux, vivons cachés”, en ik deed dan alles om maar niet op te vallen. Achteraf had ik er dan intens spijt van. Ik keek met afgunst naar mijn kameraadjes die wel het lef hadden onder het voetlicht te treden en blijkbaar geen last hadden van zelfkritiek. Tegelijk voelde ik me mijlen ver van dat minderwaardig gedoe over verjaardagsfeestjes, verdwenen taartjes en andere huiselijke misverstandjes. Ik vertoefde immers in het gezelschap van mijn helden.

In het eerste jaar middelbaar werd als oefening Walter Eysselincks Meermin en mijnenvegers in de klas opgevoerd. Geen sprake nu van vrijwilligers. Eysselinck deelde vriendelijk maar vastberaden de rollen uit en, ja, ik kreeg die van meermin toebedeeld. Toneel was het zo spontaan maar getrouw mogelijk nabootsen van de realiteit, zo dachten we toch, en daarbij hoorde vanzelfsprekend het feilloos ten toon spreiden van meer dan een vleugje verheven en verhevigde declamatorische kunde. Eysselinck leerde me dat toneelspelen wel degelijk iets anders inhoudt. Van toen af stapte ik vrij makkelijk, zij het soms noodgedwongen, van de een rol in de andere.

Het individu dat bewust zijn lot in handen neemt is een romanpersonage, product van een moraliserende topos, een pedagogisch voorbeeld dat zin moet geven aan wat op zich zinloos is. De enkeling is pas vrij wanneer hij als een boei dobbert op de baren - als een baken.

Dinsdag 25 maart.

Intense droomactiviteit. Heb heel wat tijd nodig om, geankerd in “dromenland”, opnieuw in waaktoestand te geraken.

&

Jean Weisgerber : Un parallèle systématique de nos littératures nationales.

Le comparatisme ne passe sous silence ni la multiplicité, ni même l’unicité des phénomènes, mais en fin de compte, il ne tend à rien moins qu’à une vision globale, les embrassant tous d’un seul coup d’œil. (…)

La Belgique est un sujet en or sous ce rapport, et l’on peut regretter qu’il n’ait pas été mieux exploré jusqu’ici. Comparaison n’est pas raison, bien sûr, mais, employé à bon escient, le parallèle aide à comprendre, fait voir. Qu’attend-on pour éclairer la littérature néerlandaise par la française et vice-versa, pour en relever les analogies, les différences, les points de contact ?

·        La réception de l’expressionnisme dans les revues françaises

·        La réception du surréalisme en Flandre

·        Replacer les avant-gardes belges dans le contexte européen

·        Les avant-gardes, polyglottes, internationalistes de nature

·        La disparité des systèmes de référence, des critères de périodisation, des terminologies critiques propres à chacune des historiographies nationales : conventions, clichés, tabous même qui subissent les plus étranges métamorphoses en passant d’une région à l’autre

·        Pour l’avant-garde, mais pas seulement pour elle, l’esprit souffle où il veut, sans se soucier du clivage des langues

·        La propension de l’avant-garde à sauter toutes les lignes de démarcation, celles des arts et des genres comme les autres

&

De avant-garde komt altijd van de provincie (Adorno).

Heinz Kamnitzer, Heimsuchung und Testament, Leipzig, Philipp Reclam jun. Verlag, 1983.

Wanneer ik Kamnitzer lees, dan besef ik maar pas dat ik inderdaad een man uit een ander tijdperk ben. Wie kan daar nu nog belangstelling voor opbrengen? Ik geniet ervan, maar wie begrijpt nog waar het over gaat?

De verblinding.

 

 

 

 



[1]  Die merkwaardige aandrang om tijdens de droom te willen ingrijpen om het scenario te vervolledigen, uit te diepen, bij te sturen.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche