Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
16 avril 2008 3 16 /04 /avril /2008 03:13

zaterdag 4 januari 2003.

 

Wilfried is blijkbaar gefixeerd op die herschikking van zijn bundels die hij dan als een nieuwe bundel beschouwt. Hij zal dus wel degelijk uitgeschreven zijn, zoveel is mij toch duidelijk. Uit zijn bitter commentaar op de politiek spreekt een steeds radicaler wordend flamingantisme. Hij betreurt dat er geen ijkpunten meer zijn. “Ik begrijp de Berber die zijn waarden niet wenst op te geven in ruil voor de principeloosheid van het westen.” Hij is geabonneerd op Secessie en heeft nieuwjaarswensen ontvangen van Alexandra Colen.

 

Maandag 6 januari.

 

La révolution des esprits et son prix.

 

« Le Quattrocento devait donner l’impulsion initiale à ce mouvement de la pensée que Marx appellera “émancipation”. Dès lors, les savants et les artistes n’auront plus qu’à souffrir, et certains à mourir, pour en assumer le mouvement et en accroître l’ampleur. Ce n’est évidemment pas là une position commode, et l’homme de la Renaissance en eut bien vote le pressentiment. En écrivant « Mundus vero rerum plenus, inanis rationum », Charles de Bouelles frappe aux portes de l’existentialisme athée. Dans l’admirable article qu’il a publié sous le titre caractéristique de Regnum dominis (Diogène, janvier 1962), Kostas Papaiaoannoun note fort justement que la fameuse Mélancolie au « soleil noir » de Dürer est la « concrétisation de l’angoisse ressentie par un être profondément isolé au sein d’un univers infiniment ouvert qui exclut tout sentiment de sympathie entre le moi pensant et les choses ». Nous ne sommes pas loin des angoisses de Pascal. Et Faust, planté au seuil des temps modernes, nous avertit que le monde créé par la science ne sera pas de tout repos.

(…) Il faut dire que, substantiellement, la Renaissance est érotisme, cruauté et violence ; que la troublante Allemagne qui va de la mort de Schongauer (1490) à celle de Cranach l’Ancien (1553), où vivent ces curieux « peintres lansquenets » qui seront les tueurs à gages de la guerre des Paysans, se signale par un goût frénétique des supplices, des martyres et des exécutions – ce qu’on a appelé, de façon macabre, le Galgenstil, le « style-gibet »- ; que César Borgia, fauve assoiffé de meurtres, répondent Benvenuto Cellini, certains papes de la Renaissance, et quelques autres…, que, de Brueghel d’Enfer à Jérôme Bosch, la peinture flamande déchaîne ses visions délirantes où la bestialité s’unit à l’homme pour créer une galerie de monstres suprêmement inquiétants.

Non vraiment, la rupture avec l’ordre intellectuel établi, la révolution galiléenne des mœurs – « Fais ce que voudras » - ne seront pas de tout repos.

Elles annoncent notre monde, ses inquiétudes, son désespoir, ses frénésies. Car nous sommes loin de compte. En proclamant la mort de Dieu, on avait cru libérer l’homme : on a donné le branle aux sanglantes religions séculières de la Nation et de la Race, de la Révolution et de l’Histoire. On avait espéré voir l’humanité accéder à la grande lumière (pour reprendre le vocabulaire naïf de la franc-maçonnerie) : elle erre dans les ténèbres du néopaganisme et des superstitions les plus obscurantistes qui soient : celles du XXe siècle. L’Internationale avait chanté : « Il n’est pas de Sauveur suprême, ni Dieu, ni césar, ni tribun » ; et nous avons eu Staline, et Guevara, et Nasser, et nous avons Mao… »[1]

 

Hier suggereert Leo Moulin dat na de grote orde van de middeleeuwen, de Renaissance, die emancipatie is, het tijdperk van de barbarij inluidt. Hij stelt zich op als een aanhanger van de Traditie in de betekenis die Guénon aan het woord hechtte. George Steiner graaft dieper. Het proclameren van de dood van God (dat trouwens veel eerder gebeurde dan Nietzsche) is immers irrelevant. De afwezigheid van God (of het zich terugtrekken) van God is misschien wel inherent aan de schepping. De “scheur” waar Steiner het over heeft (zie bijvoorbeeld het scheuren van de sluier van Tanit in Flauberts Salambo) en de coëxistentie van schepping en chaos.

 

« “Tolérance” est un beau mot, qui annonce de bien beaux sentiments. Mais, à l’origine (1610), il signifiait, au mieux, « action de supporter patiemment ce que l’on n’approuve pas ».

Au moment de l’édit de Nantes (1598) et du traité de Westphalie (1648), le mot traduit l’incapacité de vaincre ressentie par les combattants des deux côtés (), la lassitude, bien plus qu’une volonté véritable de cohabiter pacifiquement, par reconnaissance sincère de l’ "autre ". La révocation de l’édit de Nantes, moins d’un siècle après (1685), par les soins de Louis XIV, soucieux d’assurer la parfaite unité de son royaume, le prouve – dramatiquement.

Le principe selon lequel les sujets doivent pratiquer la même religion que celle du prince (cujus regio, ejus religio) souligne combien l’idée même de tolérance – d’une véritable tolérance – n’avait pas encore pénétré les esprits.

Ceux-là d’ailleurs qui se révoltaient au nom de la liberté chrétienne - les calvinistes notamment, les anglicans, les « libertins » - ne manifestèrent aucune tolérance à l’égard des « dissidents », catholiques ou puritains. Les puritains eux-mêmes…

Les « philosophes » du siècle des Lumières peuvent difficilement être considérés comme des cœurs remplis de cette vertu. John Locke (1632-1704), apôtre de la tolérance, exclut les athées et les catholiques de la citée.

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) condamne à mort le citoyen qui ne respecte pas les dogmes de la religion civile, Robespierre (1758-1794), celui qui n’accepte pas le culte de l’Etre suprême. » [2]

 

Georges Clemenceau, “le Tigre”, was een geestig man. Van hem is de bekende uitspraak: « Les cimetières sont pleins de gens irremplaçables. » Maar hij zei ook : « Les dictatures comme le supplice du pal, commencent bien et finissent mal. »[3]

 

André Maurois: “Ce que les hommes vous pardonnent le moins, c’est le mal qu’ils ont dit de vous.”

 

De lectuur van Steiner, hoe gruwelijk ook, brengt een bepaalde vorm van sereniteit. Van hem leerde ik dat “le dur désir de durer” van Char naar Dürer verwijst. Dat opent nieuwe horizonten.

 

Dinsdag 7 januari.

 

Toen Neuhuys Les Soirées d’Anvers startte gaf hij enige toelichting in een brief aan Frans Hellens. Daaruit blijkt de theatrale inslag van zijn concept; het komt erop neer dat het tijdschrift in feite voorgelezen moet worden. Het commentaar (van Neuhuys) fungeert als bindtekst tussen de citaten. Dat was het aanvankelijke concept. Ook de zo gewaardeerde lezingen van Neuhuys bestaan uit een aantal citaten die als het ware de kern vormen waarrond het commentaar – weeral een bindtekst – gearticuleerd wordt. Soms weet je niet wie aan het woord is.[4] Het commentaar (de bindtekst) ontwikkelt zich niet dialectisch maar apodictisch. De sporen van de redenering zijn uitgewist, alleen het eindresultaat wordt weergegeven. Zo verschijnen die tekst niet als een discours maar wel als een eindeloze variatie op het mysterie van de ontologie (au début était le Verbe…). Dat zal ook wel het geval zijn geweest met zijn cursussen op het Instituut Vandervelde.

Die aanpak van Neuhuys moet ook gezien worden in het perspectief van zijn herhaalde pogingen om “homme de théâtre” te zijn (wat hij wel als redenaar was, maar niet als schrijver). Ik heb de stellige indruk dat telkens een toneelstuk van hem afgewezen werd, hij diep ontgoocheld moet zijn geweest. Het navrante misverstand dat een einde maakte aan zijn vriendschap met Ghelderode  is daar ook al een bewijs van. Romancier, essayist, toneelschrijver? Neen, poète tout court, poète malgré lui, tegen zijn zin, zijns ondanks. Zijn oeuvre vanuit dat oogpunt benaderen kan misschien wel vruchtbaar zijn. En welke krant had het weer, naar aanleiding van een van zijn voordrachten voor “Les Midis de la Poésie” over zijn manier van spreken, “très Comédie française”? En hebben zijn beide zonen niet dezelfde neiging?

In Les Soirées d’Anvers, ik denk  hier wel in eerste instantie aan de cahiers over de jonge Franse of de jonge Vlaamse poëzie, misschien ook nog in enkele andere, worden teksten als het ware ten tonele gevoerd, les textes sont soigneusement montés/donnés en spectacle.

 

“Ce qui dans ma nature est le plus éminent/c’est l’esprit d’aventure et de déguisement.” En vier verzen verder: « Art d’aimer? Art trompeur, art de tromper la peur/ la peur de nous tromper sur un sexe trompeur. »

 

« Déguisement » dient mijns inziens in de primaire betekenis begrepen te worden. De acteur vermomt zich. De dichter als Fregoli. En misschien is er concreet sprake van een curieuze neiging tot travestie die vooral na 1970 tot uitdrukking komt in complexe driehoeksverhoudingen met twee lesbische vrouwen. Mémoires à dada er in dat perspectief op nalezen. « La vieillesse fait naître des idées stupéfiantes. » (Octavie ?)

En verder: melk en bloed. « Toute la création est hémato-galacto-poétique. C’est par le sang et le lait que la femme assure la chaude continuité de la vie. Pas d’humanité sans animalité. »

 

Woensdag 8 januari.

 

Intens gedroomd. Wat, weet ik niet langer: sterke en scherpe indruk bij het ontwaken, en dan onmiddellijk verdampt. Centraal gegeven: de toren van Babel. Ik zit in een situatie waarbij ik met iemand in het Spaans moet communiceren, een taal die hij zogoed als niet kent, maar de enige waarvan ik dan toch enige oppervlakkige kennis heb. Voor het overige staan we als aliens tegenover elkaar. Alleen via dat oppervlakkige Spaans kunnen we met en tot elkaar spreken. (Lectuur van Steiner werkt in de slaap blijkbaar door.)

 

Le sadique est instituteur, le masochiste éducateur. Bijzonder treffende analyse van Gilles Deleuze.

 

Eigenlijk heb ik altijd geleefd als in een droom. En zo is het goed. De zo geprezen luciditeit heeft te maken met de mentaliteit van de cipier.

 

Donderdag 9 januari.

 

Mariëns geschiedenis van het surrealisme in België. Neuhuys kwam ik contact met Mariën door Madeleine Haller. Hij verdacht er Mariën van boeken te ontvreemden. Op een middag kwam hij met enkele geestesgenoten langs. De Neuhuysen waren niet thuis. Mariën slaagde er toch in binnen te geraken. Toen de familie Neuhuys thuis kwam, lagen overal boeken verspreid en lag er een notaatje op tafel: “Nous avons eu une bonne après-midi, à bientöt.” Moeder kon daar niet mee lachen, zegt Thierry Neuhuys. Dat kan ik me levendig inbeelden.

 

N.a.v. de lectuur van De grammatica van de Schepping van Steiner het antwoord van YHVH aan Job herlezen.

 

Nietzsche, Ecce Homo (Der Fall Wagner, 2):

“…und ich spüre Lust, ich fühle es selbst als Pflicht, den Deutschen einmal zu sagen, was sie alles schon auf dem Gewissen haben. Alle grossen Kultur – Verbrechen von vier Jahrhunderten haben sie auf den Gewissen!

 

In verband brengen met Steiner. De melancholie van het scheppen.

 

Guénon was het niet eens met Julius Evola’s racistische theorieën. De bespreking van Il Mito del Sangue (Milano, Ulrico Hoepli), verschenen in Études Traditionnelles, 1937, p. 265, liegt er niet om.

Dit artikel werd geschreven toen Guénon zich al in Cairo gevestigd had en een zuiver contemplatief leven leidde. Zijn oordeel is niet voor interpretatie vatbaar: het biologisch racisme heeft niets te maken met welke traditionele gegevens ook. (Wanneer de theosofen of antroposofen het over “rassen” hebben, heeft dit ook al niets te maken met wat we nu “racistische” opvattingen te maken hebben, maar wel louter met een esoterische opvatting over de antropogenese.)

 

Zaterdag 11 januari.

 

Het heelal is een spelend kind, zegt ongeveer Heraclitus. Alleen door te spelen, maar dan wel met de vereiste ernst, leef je simultaan of achtereenvolgens verschillende levens. Het gaat om een consistent schimmenspel, waarbij je zelf in het chaotische schouwspel van de wereld (“full of sound and fury”)[5] beslissend ingrijpt. Je zet niet alleen het scenario ogenschijnlijk naar je hand, je verruimt vooral de semantische velden.

Het spel is echter niet vrijblijvend en je moet alert en op je hoede blijven, want “The more a man drinketh of the world, the more it intoxicateth.”[6] Je identificeren met je rol is wenselijk, neen, noodzakelijk, zo lang het bewust gebeurt. Het gevaar dat je door je rol gaandeweg opgevreten wordt, is niet denkbeeldig, en dan is er achter het masker geen gelaat meer.

Ik zal ooit wel de rollen die ik speelde op een rijtje zetten. Dat wordt een pittoreske aangelegenheid.

 

Zuversicht: stappen door de nacht met de schijnbaar nadrukkelijke (en dus gespeelde) maar in feite natuurlijke (en dus spontane) zelfverzekerdheid van de slaapwandelaar. Hoffnung: wankelen langs de afgrond en menen dat je een langeafstandloper bent.

 

 



[1] Léo Moulin, Parcours, Fonds Mercator, 1998, p. 87.

[2] Ibidem, p. 74.

[3] Encyclopédie des mots d’esprit célèbres, Genève, Famot, 1976, tome I, p. 19 et 23.

[4] Die methode getuigt van een sterk vermogen tot Einfühlung, ook aanwezig bij Paul de Vree, Flam en Hocke (mijn leermeesters).

[5] To be furious is to be frighted out of fear. (Antony and Cleopatra, III.xiii.)

[6] Francis Bacon, Of Youth and Age.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche