Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
13 avril 2008 7 13 /04 /avril /2008 12:56

De probleemstelling of iemand al dan niet tot Dada gerekend moet worden, kan afgedaan worden als strijdig met de geest zelf van dada – voer voor historici en comparatisten, een poging tot recuperatie en gelijkschakeling. Wat er ook van zij, in tegenstelling tot Phil. Mertens, Jo F. Dubois en Marc Dachy die onderstrepen dat de echte geest van dada Joostens vreemd was, brengen Jean F. Buyck, Jean Paul Bier, Paul Hadermann en Rik Sauwen grote waardering op voor zijn geschriften, die ze als typisch dada kenschetsen of als alleszins sterk gerelateerd aan de invloedssfeer van dada.

In illo tempore was het echter allemaal duidelijk. De avant-gardistische criticus Georges Marlier – met Van Ostaijen de vroegste verdediger van het werk van Joostens (en trouwens ook van de Jespersen) – onderstreepte in 1923 dat de vergelijking tussen Joostens’ gecompliceerd geestelijk raderwerk en dada zich vanzelfsprekend en onweerstaanbaar opdringt: grondige afkeer van het “gezond verstand”, verbitterd individualisme, absoluut onlogisch denken. Dat Joostens zich leende tot het beoefenen van deze “import-kunst” vond zijn vriend Leonard vreselijk: Vlaamse kunstenaars mogen zich niet “stelselmatig tot verbastering lenen” onder het mom van “kunst-internationalisering”. Maar Van Ostaijen repte met geen woord over de dadaïstische werken van Joostens, waar hij blijkbaar geen voeling mee had.

&

Joostens was een hardnekkige en excentrieke individualist, een geboren provocateur die ten volle en uitbundig, wellustig en zelfkastijdend zijn innerlijke tegenstellingen beleefde en botvierde. Als anarchistisch stadsmens in merg en been walgde hij van natuurlijk groen (net als Mondrian en Marnix Gijsen), schuwde het daglicht en voelde zich nergens beter dan in de geborgenheid van een donkere bioscoop. Zijn voorkeur ging immers “naar de schijnwerpers en niet naar de zon, naar de loeiende scheepssirene op de Schelde en niet naar het frisse gezang van de nachtegaal, naar het gotische kapiteel en niet naar de loofboom”, aldus Rik Sauwen.

Wandelen bleef beperkt tot de oude stadskern. De leien oversteken, met al die bomen (toen), was een ware foltering. Een bezoek aan zijn vriend Neuhuys in het  verre Deurne was zoiets als een expeditie in de rimboe. Hij hield niet van de natuur, schreef Neuhuys eufemistisch:

“Ik verafschuw natuurspektakelen, zei hij, en het water vooral. (…) Als mijn vrouw in de zee gaat, schat ik ze geen vijf cens.Ik zou liever sterven dan in dat smerige vuil te gaan. (…) Ze moesten de zee dichtmaken, dan zouden er geen duizenden villa’s bestaan vol stommeriken en zeecabines en kreukeltjes, enfin al dat onnozel gezever.”

Aan Jos Leonard vertrouwde hij toe:

“Als u me zegt Dada, dan zie ik een ingenieurstekening”. Dat was heus meer dan een impliciete verwijzing naar Picabia’s tekeningen. Illustreerde Joostens zijn brieven niet met tot onderdelen van machines en toestellen gedeconstrueerd en geconstrueerde lichamen?"

&

Onlosmakelijk verbonden met zijn haat voor de natuur komt Joostens’ pathologische misogynie in tientallen teksten tot uitdrukking. Vrouwen? « Au lieu d’être nos sœurs, nos compagnes, ce sont des bêtes voraces ». Of nog : « Si j’étais avec elle dans une chambre, je préférerais fuir. Autant s’enfermer dans un jardin zoologique dans une cage de tigre. » Trouwens :

« Le jeu de sexe ? Quelle horreur, quelle aberration, quelle monstruosité, quelle gymnastique énervante – on ne peut s’imaginer jusqu’à quel point ça m’embête de faire l’Amour. (…) C’est une corvée et une saloperie. »

Eva, zegt Joostens, “is nog steeds de geestelijk minderwaardige, de ten achter geblevene”.

De vrouw is de ultieme grap van de schepping, dé vijand bij uitstek, ook al omdat ze geld kost (en Joostens’ gierigheid moest niet onderdoen voor zijn misogynie), een klacht die hij geregeld in krasse bewoordingen formuleert. “Elles ne vivent pas seulement de nouilles mais de tout ce qui sort des grands magasins !”

&

In Joostens’ donkere levensvisie, die hij met bittere humor en zelfkwellend cynisme etaleerde, klonk wel soms iets van meewarigheid door, maar ruimte voor sociale bewogenheid was er niet, tenzij dan als mikpunt van vernietigende spot. Als gedeclasseerde bourgeois zong hij in alle toonaarden de lof der luiheid, een uiting van heimwee naar het materieel kommerloos aristocratisch bestaan waar hij bij Gods genade recht op had.

Il serait facile de ne rien faire – Tout est provisoire – y a qu’à se reposer.” Joostens kende het oeuvre van Pansaers en diens lof der luiheid was hem uit het hart gegrepen, te meer daar hij rond 1925 het dieptepunt van zijn crisis beleeft (niet alleen artistiek, maar ook als gevolg van allerlei familiale toestanden rond erfeniskwesties en van zijn moeilijke relatie met Mado, die hij ondertussen gehuwd had).

“Ik zeg zo tegen mijn eigen: lief schapeke, ge zijt al een tamelijk oud beest, ge zijt 36 jaar en g’het 100.000 frs om van te leven. ’t Is niet veul, maar ge moet het er mee stellen – on de schoon kunste zulde niet veul nimmer doen.. ’t Is stank voor dank – en gloria victoria zut. Veul heldendaden zulde ook nimmer doen. As ge nog is een ander lief schaap tegen komt denkt, dan eerst on uwe portemonnee.

(…) Gaat ge in ’t koekskesfabriek bij De Beukelaer dan verdient ge 3 frs per uur. En ieder content, want ge fabriceert koekskes. De mensen willen iets voor hun geld – als ge hen, iets voor niets geeft dan slaat ge de bal mis. Daarom is het verstandiger geen kunst te fabriceren of ze moet verkoopbaar zijn.

De rijke mensen willen absoluut dat er gewerkt wordt – en de slaven werken gaarne. Daar ik geen slaaf wil zijn en niet rijk ben die ik gewoon niets. Ik laat d’ander rijk zijn en slaven. Ik zit nog altijd bij de stoof, en ik leef.”

&

Joostens was bezeten door literaire ambities. Hij was sterker uit op erkenning als schrijver dan als plastisch kunstenaar. Salopes werd echter nauwelijks opgemerkt, en in eigen kring werd zijn literaire arbeid in het beste geval afgedaan als de buitenissige bevlieging van een schilder (zo vergaat het vaak met dubbeltalenten). Leonard vond het boekje maar niets, Seuphor gunde het slechts een korte vermelding, Van Ostaijen zweeg in alle talen. Joostens vierde dan maar zijn schrijfdwang bot in burleske brieven en teksten boordevol ingehouden of integendeel reed uitgesmeerde woede. Hij gaf lucht aan zijn diepste gevoelens in een idiosyncratische, soms trefzekere maar altijd koddige mengeling van Nederlands, Antwerps en gemeenzaam of deftig, soms archaïserend Frans, dit alles af en toe gekruid met een scheutjes keukenlatijn. (Bovendien pasticheert hij ook in brieven het kindertaaltje van Mado.) Door middel van grillige associaties en inventieve variaties haalt hij de verheven taal neer en verheft volkse, vulgaire wendingen tot speelse pastiches van de hoofse stijl, die hij wel degelijk beheerste, althans in het Frans.

Henri-Floris JESPERS

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche