Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
5 avril 2008 6 05 /04 /avril /2008 02:52

In de jongste aflevering van Revolver staat Ben Cami (1920-2004) centraal. Het essay van Jean Robaey (°1950), docent Franse literatuur aan de Universiteit van Ferrara die niet alleen Cami in het Italiaans vertaalde, maar tevens al jaren ijvert om meer aandacht te vestigen op de dichter die al te vaak in de schaduw komt te staan van zijn mede-redactieleden van Tijd en Mens, behandelt eens te meer de epische dimensie van de dichter van Het Land Nod.

&

De verzen die Ben Cami in 1940 in de bloemlezing Aalst zingt publiceerde zijn minder bekend. Die collectieve bundel bundel met verzen van Johan Berger, Albert Baeyens, Ben Cami, Jan d’Haese, Framarom, Gery Helderenberg, Paul van Keymeulen, Jan Vercammen, Peter Venthof en Franz Zonneberg, werd samengesteld door Jan d’Haese (1922-2005). De toen achttienjarige dichter had al gepubliceerd in toonaangevende tijdschriften: Werk, Nederland, Dietsche Warande & Belfort, De Vlaamsche Gids, Voetlicht, Kentering, Nieuw Vlaanderen, Gewas, In Aanbouw.

In de inleiding, gedateerd februari 1940, onderstreept D’Haese het regionale karakter van het bundeltje. Dat ouderen als Jan Vercammen (°1906), Gery Helderenberg (pseudoniem van Hubert Buyle,°1891) en Albert Baeyens (°1892) “betrouwden op het initiatief van een jongere, getuigt voor hen”. D’Haese wijst uitdrukkelijk op het ontbreken van “richtinggevende kritiek” in Vlaanderen:

“Van kritiek hebben wij geen schrik, maar zij moet aarde aan den dijk brengen. Zo zijn Herreman en vooral Gijsen ons lief, omdat ze afbreken op strenge, maar rechtvaardige basissen; in tegenstelling met een stelletje dilettanten die zoetsappige beoordelingen broderen op een altijd weerkerend, weinig diepdringend thema.”

De kronieken van Marnix Gijsen (1899-1984) in De Standaard werden opgenomen in diens Verzameld werk.[1] De (haast dagelijkse) “Boekuiltjes” van Raymond Herreman (1896-1971) in Vooruit werden jammer genoeg slechts partieel gebundeld.[2]

Albert Baeyens heeft geen onuitwisbare sporen gelaten in de literatuur, en dankt wellicht zijn aanwezigheid aan het feit dat hij leraar was aan de voorbereidende afdeling van het Aalsterse atheneum. Gery Helderenberg (1891-1979) en Jan Vercammen (1906-1984) daarentegen waren destijds al gevestigde namen.

De drie gedichten van de twintigjarige Ben Cami, die toen studeerde aan de Normaalschool te Gent, behoren ongetwijfeld tot de beste verzen van de bundel. Net als Jan d’Haese had hij reeds gepubliceerd in de tijdschriften Nederland en Nieuw Vlaanderen.

 

Dood

Dood: kleine vlam in mijn vlees,

groeiend in mijn wezen, als een pijn;

scherp vergif in den wazigen wijn

van het leven; Engel die reeds

uit Zijn licht en stadig bloeit

en langzaam verzengt dit hart;

licht waarrond de laatste hoop verstart:

niets waaruit het alles groeit.

 

In het retorische ‘Reisverhaal’ is de dichter van Het Land Nod reeds in kiem aanwezig:

 

Eens, toen wij ontwaakten, rees uit den morgenbrand

een wit kasteel als van een vreemd, ver land.

Torens en arabesken stonden blinkend van goud

en in de witte kamers en gaanderijen zweefde vage

muziek, die treurig maakte en toch een diep en vol

geluk bracht om het langzaam gaan der dagen.

Vrouwen gaven vreemde, grote vruchten

en in hun armen vergaten wij ons eigen leven,

de verre, zware tocht en de verborgen zuchten

die we hadden gekend. Elke morgen was ons even

licht, en toch, na maanden, werden we weer

vol onrust. – Toen we heentrokken was er niemand meer

die ons weerhield…

Lang nog hoorden we het gezang

der vrouwen achter ons. We wisten dat het dwaasheid was

dit alles te verlaten, maar we waren gestuwd door een drang

naar een groot en onbegrepen doel. In het dorre gras

floot de snerpende wind en we voelden dat dit lied

ons doodsgezang zou zijn. – Maar wij keerden niet…

 

De eigenzinnige en al te vaak nog altijd onderschatte Ben Cami, medestichter van Tijd en Mens, zou in 1966 in een interview met Herman J. Claeys betogen: “Het absurde in het bestaan wordt door de ‘gewone man’ evenzeer beleefd als door de geleerde of de kunstenaar. Zovele volksliederen, oude en nieuwe, getuigen daarvan”.  Met betrekking tot het absurde toneel stelt hij onomwonden: “Als het grote publiek bepaalde stukken niet ‘kan’ benaderen, dan komt het doordat de massa door haar opvoeding blind gemaakt wordt.” Hij relativeert tevens de kritiek op de zogeheten hermetische poëzie: “als u onder ‘hermetisch’ verstaat: luchtdicht afgesloten, dan bevatten de woorden ‘hermetische poëzie’ een contradictie in de termen. Als u door ‘hermetisch’ verstaat: geheim – dan denk ik dat u er de gedichten mee bedoelt zoals de Duineser Elegien van Rilke. Dan kan ik alleen maar zeggen dat veel poëzie als onbenaderbaar wordt aangezien door hen die ze niet kunnen of niet willen benaderen.” Hij staat afwijzend tegenover het socialistisch realisme: “geen realisme, enkel geïdealiseerde rommel, geschreven in dienst van een politiek of sociaal doel. Vanzelfsprekend vertoont het veel gelijkenissen met rechtse literatuur”.[3]

Werk van Framarom (°1913), fabrieksarbeider en grotendeels autodidact, was reeds opgenomen in Arbeiders dichten van R. Herreman (Brugge, De Garve, 1937, 63 pp.) Paul van Keymeulen (°1920)  studeerde Romaanse filologie. Werk van hem was gepubliceerd in Vormen, Nieuw Vlaanderen, Elckerlyc, Kentering, Gewas en Werk, en hij had reeds twee bundels gepubliceerd, Het Jonge Bezit (1938) en Stille Liebe (1939). Peter Venthof  (1916), mij geheel onbekend, had nog niets gepubliceerd, maar zijn klassiek gedicht “Planeet mens”  is toch wel overtuigender dan het gedicht  van Franz Zonneberg (°1913), een accountant die een Franse opvoeding had genoten en in het buitenland had verbleven, o.m. aan de universiteit van Santander, meegewerkt had aan Vormen, Volk, De Vlaamsche Gids en Gewas  en bovendien  drie bundels had gepubliceerd: Misten (1938), Bloed (1939) en Eros-Altaar (1939). Zijn gedicht wordt hier dan afgedrukt als bijdrage tot de evolutie van de literaire smaak – en als treffende illustratie         

Jan d’Haese bleek toen al gefascineerd door de plastische kunsten. Zich inspirerend op “De intocht van Christus te Brussel” publiceerde hij een “Fantasia bij Ensor”, waarin het masker van de wereld afgetrokken wordt, zou pater Poirters gezegd hebben:

 

Het echt gezicht lang afgevallen

komt nu hun werk’lijk wezen bloot;

zij dansen arm aan arm en brallen

een lied van dronkenschap en dood.

 

Onwetend hoe zij clowns gelijken

in dezen Christus-carnaval

van waan, blijven zij Hem bekijken:

de maskerloze van het bal…

 

“De vagebond-dichter” illustreert zijn geestesinstelling in dat fatale jaar 40:

 

Het is mijn laatste gang langsheen uw water…

De olmen rusten en de lucht is grauw,

Achter een kromming ligt ’t fabrieksgebouw:

Ik heb het werk aan anderen gelaten.

 

Maar wees niet bang, eens ben ik wel te moe

om nog mijzelf te zijn en leg mij neer

bij alles wat gij zegde over eer

en deugd, eens geef ik alle fouten toe…

 

want  als men niets doet dan gedichten schrijven,

koopt men geen boter, krijgt

geen vrouw, geen kind’ren;

men kan tot aan zijn dood de burgers hind’ren

en verder in een boek verheerlijkt blijven…

 

Jan d’Haese (°1922) had atheneum gelopen en wachtte naar eigen zeggen “op het wonder dat uit den hemel zal vallen. Het moeilijkste in het leven is de passende plaats te vinden, zodat men zich zonder bitterheid kan overgeven aan hart en geest.”

&

Ik heb Jan d’Haese meer dan veertig jaar geleden in Brussel ontmoet, in “Le petit rouge” waar hij gekend als “de leeuw van Vlaanderen”. Dat was een toespeling op zijn alom gekende witte leeuwenmanen, maar ook een impliciete hulde aan de gedreven strijdvaardigheid die in zijn houding en in het gesprek overvloedig en manhaftig tot uitdrukking kwam.

“Le petit rouge” bevond zich zowat in het epicentrum van de Brusselse avant-gardetraditie. De leden van de groep Fantasmagie (de schilders Aubin Pasque, Marc. Eemans en André van Wassenhoven, “de archivaris”…) troffen elkaar daar haast dagelijks. De dichter Pol le Roy en de precieuze prozaïst Marcel Lecomte waren er stamgast, net als E.L.T. Mesens en de twee Marcels (Broodthaers en Van Maele). Ook oudgedienden van de “Société du Mystère” kwamen er af en toe iets drinken: René Magritte, Scutenaire, Irène Hamoir. Geen taalbarrière (wat in het toenmalige Brussel eerder ongewoon was), geen scheidingslijn tussen gewezen collaborateurs en ontgoochelde communisten. Kriegsberichter Jan d’Haese en BBC-propagandist Mesens gingen hartelijk met elkaar om. Wellicht dachten ze aan hun gemeenschappelijke vriend Wies Moens…

Reeds tijdens zijn atheneumjaren was Jan d’Haese de bevlogen minnaar van kunst en letteren die zijn hartstocht ook daadwerkelijk wist om te zetten in initiatieven allerhande (cfr. “De vagebond-dichter in Mededelingen nr. 31 van 15 september 2004). Tijdens de bezetting werkte hij mee aan Zender Brussel en vertrok als reporter naar het Oostfront, waar hij in februari 1944 zwaar gewond werd. Hij maakte enkele van de zwaarste bombardementen op Berlijn mee. Van op het dak van een Flakbunker bracht hij live verslag uit van wat hij zag en beleefde. Na zijn terugkeer dook hij onder, maar werd ten slotte toch gearresteerd en veroordeeld tot vijftien jaar. In april 1951 kwam hij vervroegd vrij. Kort daarop, na zijn kennismaking met Bruno de Winter, kon hij aan de slag bij ’t Pallieterke, waar hij zich geleidelijk aan meer en meer op kunst en cultuur zou gaan toeleggen.

Jan d’Haese verkeerde op vriendschappelijke voet met Felix de Boeck en Michel Seuphor. Hij was immers geboeid door de historische avant-garde, waarover hij in de loop der jaren een indrukwekkende documentatie bijeenbracht. Hij was ook een kenner van het oeuvre van Léon de Smet en Renaat Landuyt. Aan de Vlaamse fantastiek had hij zijn hart verpand. In de loop der jaren bouwde hij meer dan honderd tentoonstellingen op, onder meer de haast legendarisch geworden zomerse shows in de kerk van Vinkem-Beauvoorde.

De rondborstige Jan d’Haese kwam altijd op voor zijn mening en nam daarbij geen blad voor de mond. Zijn scherpe pen hanteerde hij beheerst, maar wanneer hij zijn gekende retorische hoogstandjes in het publiek tentoonspreidde, liet hij zich soms door zijn verve meeslepen en verleiden tot ongelukkige of onrechtvaardige (en soms irritante) formuleringen. Jan d’Haese was immers begiftigd met een steeds zeldzamer wordende deugd: het vermogen tot niets ontziende verontwaardiging. Zijn genadeloze en soms hilarische donderpreken tegen Jan Hoet - zijn favoriete whipping-boy - kunnen moeiteloos als klassieke schoolvoorbeelden bestempeld worden. Voor de conceptuele kunst, haar nasleep en naweeën, kon hij geen waardering opbrengen. Hij viseerde daarbij minder de kunstenaars dan wel de uitwassen van het allesoverheersende, eng eenzijdige en reducerende raderwerk van de kunstpromotie en van de internationale kunsthandel die hij verantwoordelijk stelde voor de thans haast onoverbrugbare kloof tussen contemporaine kunst en publiek. Het zou echter van simplisme getuigen Jan d’Haese te herleiden tot een reactionaire criticus. Zijn visie was complexer dan ze op het eerste gezicht kon lijken.

Na Guido Gezelle werd de dadaïstische dichter en schilder Kurt Schwitters de grote ontdekking van Seuphors poëtisch leven, schreef D’Haese een achttal jaar geleden. Dat was geen nuchtere vaststelling. Ook hij waardeerde Schwitters. We zagen ooit samen een voortreffelijke enscenering (door Koen de Sutter) van de Ursonate, die hij positief en verhelderend besprak in zijn “rioolkrantje”. Hij was trouwens een gedegen toneelcriticus die op een ervaring van decennia kon bogen – en moeiteloos terugvallen op een feilloos geheugen. In het begin van de jaren zeventig was hij mededirecteur van het Gentse Mimetheater. Uit die tijd dateert zijn vriendschap met de beroemde mime Marcel Marceau.

Na meer dan een kwarteeuw bedrijvigheid als criticus kreeg hij plots geen vrijkaarten meer. Hij die jarenlang zijn vaste plaats in de zaal had bezet, kreeg plots geen uitnodigingen van de tot Toneelhuis herdoopte KNS, en in sommige musea kreeg hij geen vrije toegang meer, laat staan een catalogus. Hij schreef immers voor een blad dat niet eens vernoemd mag worden, net zoals je backstage de naam Macbeth niet mag uitspreken. Het was wel geen Schotse tragedie, maar ik vermoed dat het hem meer pijn deed dan hij bereid was toe te geven.

De laatste jaren van zijn leven zijn hem niet genadig geweest. Immobiliteit en fysieke pijn waren zijn dagelijks lot geworden. Hij bleef echter geestelijk beweeglijk, dankzij de toewijding van zijn echtgenote die zijn culturele belangstelling deelde.

Henri-Floris JESPERS

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   

 

 

 



[1] Marnix GIJSEN, Verzameld werk, Amsterdam, Meulenhoff Nederland/ ’s Gravenhage, Nijgh & Van Ditmar, 1977,  VI, pp. 7-452.

[2] Fr. CLOSSET, Raymond Herreman, de dichter en de criticus. Documenten, Brussel, A. Manteau/ Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1944. Bert Ranke bundelde een aantal Boekuiltjes in 1960.

[3] Herman J. CLAEYS, Wat is links? Brugge, J. Sonneville, 1966, pp. 77-78.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche