Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
5 mars 2008 3 05 /03 /mars /2008 17:00

In deze versregel van de hier zo goed als onbekende Oostenrijkse dichteres Christine Lavant wordt haar lijdensproblematiek samengevat. Ze wist dan ook van wanten. Als negende kind van een mijnwerkersgezin lijdt de kleine Christine sinds haar geboorte, op 15 juli 1915, aan scrofulose of tuberculose van de lymfeklieren. Men noemt het een armemensenziekte, een die zowel allerlei ontstekingen en koortsaanvallen veroorzaakt als het gehoor en het zicht aantast. Pas vanaf haar achttiende, en dank zij een behandeling met röntgenstralen, kan zij zich in het openbaar vertonen zonder de zwachtels die tot dan toe de etterende wonden moesten verbergen. Haar zwakke gezondheid staat haar echter niet toe om verder te studeren. Voor haar verdere ontwikkeling, nog wel in een armoedig milieu waar geen plaats is voor kunst en literatuur, beroept ze zich vooral op de plaatselijke bibliotheek van Sankt Stefan in het Lavanttal. Zo ontdekt zij het werk van Rilke, dat voor haar een revelatie is. Haar eerste verhalen en gedichten ontstaan in die periode, en dit ondanks zware depressies die op haar twintigste tot een zelfmoordpoging zouden leiden. Wat zij daarop in een instelling voor geesteszieken meemaakt, is meteen de beste remedie tegen suïcidale impulsen. In Aufzeichnungen aus einem Irrenhaus – een titel die zowel aan Rilke als aan Dostoievski herinnert – brengt zij die ervaring onder woorden. En ze roept God ter verantwoording – een gesprekspartner die zij zal blijven ondervragen, uitschelden en verheerlijken.

 

Ook met de natuur gaat zij een dialoog aan. Ze mag dan halfdoof en halfblind zijn, maar haar andere zintuigen werken op volle kracht. Alles wat zij bij haar poëtische visie betrekt, wordt tevens niet alleen gepersonifieerd, maar geconcretiseerd op een manier die aan de Romaanse kunst doet denken. Bij haar beeldenarsenaal horen dieren, zoals vogels en honden, engelen en ronduit heidense motieven die naar toverkunst verwijzen. Ze haalt letterlijk alles uit haar natuurlijke omgeving, waarbij de natuurkrachten die zij oproept als de bouwstenen van haar thematiek fungeren. Abstracta zoals de dood of het noodlot vormen geen tegenpool, maar worden gelijkgeschakeld aan die natuurverschijnselen. Centraal staat een zeer complexe godsbeleving – een religiositeit vol tegenstrijdigheden. Verzet en woede wisselen af en leiden tot schuldgevoelens, of lokken een lyrische ‘tegenspraak’ uit die op geen enkel moment als een klaagzang overkomt. Het gevecht met de engel gaat steeds verder, een gevecht zonder illusies of erbarmen:

Ik wil van ’t lijden eindelijk alles weten!

Sla nu de stolp stuk der gelatenheid,

verjaag de schaduw die mijn engel wordt.

Dáár wil ik heen, waar zelfs jouw hand verdort,

in ’t brein van gekken, in verlatenheid

van bittere harten die, door drift gebeten,

zichzelf verscheuren om wat in hen woedt

woest uit te strooien in het bloed der aarde.

Mijn engel torst op beide schouders zwaar de

genadehemel; van jouw warme gloed

heeft nu een vonkje al het glas gesmolten.

Vervuld van hovaardij en van revolte

kauw ik de trotse moed, het laatste brood

uit heel de oogst van mijn gelatenheid.

Wijs was jij, Heer, en vol genadigheid,

want anders had ik mijn stolp stukgeslagen.

Ik wil met honden op mijn hart gaan jagen

dat ze ’t verscheuren om de dood

een weerzinwekkend werkje te besparen.

Bedankt om wat ik aan den lijve mocht ervaren.

    

Hoewel pijn en aftakeling meer dan eens het hoofdthema worden, is er als tegenwicht een buitengewoon sterke levenswil die zij met de moed der wanhoop wil behouden. Ook na een mislukt huwelijk met een veel oudere man en een kortstondige liefdesverhouding met de kunstschilder Werner Berg kan zij zichzelf in stand houden met behulp van medicijnen, slaappillen en de nodige alcohol. Pijn is tegelijk een voorwaarde en een springplank om dieper in alles door te dringen. Een keerpunt in haar leven komt er aan het eind van de jaren veertig, wanneer zij de Stuttgartse uitgever Viktor Kubczak leert kennen. Hij haalt haar uit haar isolement, met als gevolg dat haar eerste publicaties rond 1949 verschijnen. Het succes blijft niet uit. Ze wordt tweemaal bekroond met de Georg Trakl-prijs en ontvangt in 1970 de Oostenrijkse Staatsprijs. Na haar dood - in 1973 – zou niemand minder dan Thomas Bernhard een bloemlezing uit haar werk samenstellen, die in 1988 bij Suhrkamp Verlag is verschenen. Hij vond dat haar werk nog niet de bekendheid kreeg, die zij verdient.

Het is te hopen dat Christine Lavant dank zij deze mooie uitgave bij uitgeverij P, hier te lande ontdekt zal worden. De vertalers Anke van den Bremt en Stefaan van den Bremt zijn er in geslaagd de bezwerende toon van haar zegging te behouden. Sommige rijmen klinken weliswaar als noodoplossingen en wijken dan meestal af van het origineel, wat nogmaals bewijst hoe zinvol een tweetalige editie is.

Lucienne STASSAERT

 

De wilde zijtak van de slaap, een selectie uit de poëzie van Christine Lavant, vertaald uit het Duits door Anke van den Bremt en Stefaan van den Bremt en van een nawoord voorzien door Anke van den Bremt, Leuven, Uitgeverij P, 2004, 101 pp, 18 €. Tweetalige editie.

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche