Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
27 février 2008 3 27 /02 /février /2008 05:31

Hier dan het artikel van Frans Buyle verschenen in het eerste en enige nummer van De Vrijbuiter.

 

Willem Elsschot zeventig

Ze hebben (eindelijk) Willem Elsschot officieel gehuldigd. Dat gebeurde, zoals men allicht weet, op Zondag 11 Mei j.l., naar aanleiding, werd verklaard, van zijn zeventigste verjaardag en de toekenning van de Constantijn Huygensprijs voor zijn gezamenlijk werk.

De gevierde zag er helemaal niet uit naar zijn leeftijd, maar wel als een goede vijftiger, die pas eerst schik in het leven krijgt. Vitaal naar lichaam en geest, zal Elsschot nog wel een heel stuk van onze hedendaagse literatuur overleven, wat we voor hem van harte hopen en voor de literatuur niet anders dan heilzaam kan zijn.

Want het werk van Elsschot is, in het raam van de Zuid- en Noordnederlandse romanproductie van heden, zoiets als een oase in de woestijn, een sterk gegrondvest eiland in een oceaan van grijze eentonigheid. Als Universeel auteur zou hij, schrijvende in elke andere taal dan het Nederlands, reeds meer dan twintig jaar over de gehele wereld zijn gelezen en de wereldliteratuur mede een glansrijker en steviger facet hebben verleend. Hij is onze eerste Vlaamse romancier, die op geen enkele wijze over het paard werd of wordt getild en wiens werk de tijd met ere zal weten te trotseren. Hij spreekt tot het hart en de geest, in een taal die glanst van eenvoud en waarvan elk woord zuiver het voorgestelde beeld weergeeft. Zijn figuren zijn eeuwige figuren, omdat ze de zuivere psychologische weergave zijn van de mens in zijn geheel. Over Elsschots vroegere miskenning is reeds veel inkt gevloeid. Hijzelf ontkent die miskenning met hartstocht. En van eigenlijke miskenning kan men ook niet spreken. Hij werd, vooral in Vlaanderen dan, meer genegeerd om zijn humaan rechtvaardigheidsgevoel waarmee men geen hout wist te snijden. Want in ons literair winkeltje van geven en nemen is een eerlijke, openhartige overtuiging een grove misdaad…

Frans Smits, met ere gezegd, heeft bij de huldiging, bij de officiële huldiging, die negatie van Elsschot met afdoende woorden gebrandmerkt. Het klonk misschien niet vleiend in sommige oren, maar het was behartenswaardige taal. Raymond Herreman heeft daarop gerepliceerd. Woordvoerder van de “officiële” critiek in Vlaanderen, voelde hij zich verplicht de handschoen op te nemen. Volgens hem was er van miskenning of negatie van Elsschot helemaal geen kwestie. Integendeel, betoogde hij. Op school reeds lazen hij en zijn vrienden “Villa des Roses”. Dus… van miskenning geen sprake. Povere bewijsvoering. Herreman verkeert te veel in de droom, dat de literatuur bij hem en enkele van zijn jeugdvrienden begint en eindigt. Omdat een kleine minderheid, een miniem kleine minderheid van mensen Elsschots werk toen lazen en bewonderden, vindt hij dat Elsschot het volle pond kreeg… Het feit dat Elsschot eerst pas twee jaar geleden de driejaarlijkse staatsprijs bekwam, wat voor ons een duidelijk bewijs is van Elsschots officiële negatie, ridiculiseerde hij vrijwel schaamteloos. Het was normaal, zei hij, dat mensen die de staatsprijs niet verdienden, wel kregen en anderen, die er recht op hadden, werden genegeerd. Vergissen is menselijk, meende hij, en niet alleen menselijk, maar zelfs noodzakelijk.

Vergissen is inderdaad menselijk en zijn vergissingen durven bekennen is een bewijs van zedelijke moed. Maar zich, zoals Herreman deed, op vergissingen beroemen en ze haast tot een verdienste verheffen, was erger dan een kaakslag, niet alleen voor Elsschot, maar voor ieder weldenkend aanwezige. En als Herreman soms mocht geërgerd zijn om onze verontwaardiging, zullen we eens klaar en duidelijk zeggen waarom soortgelijke vergissingen als waar hij het over had, opzettelijk worden begaan.

De heer José Aerts, alias Albert Westerlinck, gaf zijn oordeel over Elsschot in beeldspraakvorm. Dat hij met de figuur van de gehuldigde nogal verlegen was, was zeer duidelijk. Aerts-Westerlinck wil graag bewijzen leveren van zijn absoluut litteraire onpartijdigheid (hm), wars van elk confessioneel karakter. Niets is erger dan een z.g. criticus die opzettelijk en met voorbedachten rade, vals speelt. En dat doet Aerts-Westerlinck. Want het is een feit dat schrijvers, die niet tot zijn vriendenkring of confessie behoren, en als hij weet of vermoedt ze ongestraft te kunnen aanranden in hun werk, door hem op slinkse wijze worden aangepakt. Niet dat hij hun werk uit confessioneel oogpunt verwerpt, wat aanvaardbaar zou kunnen zijn; neen, hij doet het op grond van z.g. artistieke normen, die hij zelf heel goed weet alleen te berusten op parti-pris. Er is trouwens over de rol van Aerts-Westerlinck in de Vlaamse literatuur nog heel wat te zeggen, maar dat doet hier niet ter zake. Hij verliest er trouwens niets bij, te wachten op het demasqué dat komen zal…

Maar een huldiging als die van Elsschot is voor critici, genre Westerlinck, een uitstekende gelegenheid om zich te tooien met valse schijn. Hij strooit hiermede de goêgemeente handen vol zand in de ogen. Velen menen: “Kijk, hoe onpartijdig, hoe door en door litterair-eerlijk de houding van Westerlinck toch is. Want ofschoon hij het werk van Elsschot uit confessionele redenen zou moeten minimaliseren, toch huldigt hij hem als neen groot schrijver”. Men verliest echter uit het oog, dat geen honderd Westerlincks, wat ze ook zouden zeggen of schrijven, op dit ogenblik aan Elsschots werk zouden kunnen tornen. Dat zou twintig of meer jaar geleden nog gekund hebben, maar nu niet meer. Want direct zou een stel Elsschotverdedigers de belager naar de keel springen. En de Westerlincks zijn van nature uit voorzichtig. Hun grootste kracht is juist, dat ze weten waar en wanneer ze ongestraft menen te kunnen toeslaan. Vandaar dat ze zich den positie weten te verwerven die zo belachelijk weinig door kwaliteit wordt geschraagd…

Maar toch, hoe weinig gemeend was niet de hulde die Westerlinck aan Elsschot bracht? Hoe weinig overtuigend en ridicuul zijn beeldspraak, waar hij Cervantes en Don Quichote er met de haren bij sleepte. Of sleepte hij Elsschot met de haren bij Cervantes en Don Quichote? Wat heeft het zin, antwoord te willen verstrekken op de vraag: Waar zou Cervantes een figuur als Willem Elsschot in zijn Don Quichote hebben gesitueerd, indien hij Elsschot moest hebben gekend?

Wel, misschien zou Cervantes een edele figuur als Elschot waardig hebben geacht om te worden geconterfeit. Maar zeker is, dat hij soortgelijken als de Westerlincks met geen blik of woord zou bejegenen. That’s all.

Wie, evenals Frans Smits, een zuivere toon aansloeg op de Elsschot-hulde, was Martinus Nijhoff. Nijhoff, met A. Roland Holst Noord-Nederlands grootste levende dichter, is tevens de uitzonderlijke criticus van zijn tijd. Het beeld dat hij van Elsschot als schrijver ontwierp, was groots naar vorm en inhoud. Juist en karakteristiek, met ongemeen scherp psychologisch inzicht, situeerde hij Elsschot en diens werk. Wij zullen trachten dit stuk in een onzer eerst volgende nummers te publiceren.

Dat was dan de Elsschot-hulde op 11, j.l. Wij hopen dat Elsschot, de non-conformist, de man met zijn opmerkelijke rechtvaardigheidsgevoel, ook onze waarheidsliefde zal weten te begrijpen. Zal begrijpen, dat het onze morele plicht was, vooral bij zijn huldiging, het schijnheilige en onware duidelijk in het licht te stellen.

Voor het overige wensen wij de geestelijke vader en authentieke grootvader van “Tsjip de Leeuwentemmer” nog lengte van jaren!

F.B.

&

Het was bij die hulde dat Liane Bruylants voor de laatste keer Willem Elsschot zag.

 

Niet iedereen was het eens met de manier waarop Buyle verslag had uitgebracht over de Elsschot-viering. Zo stelt Ivo Michiels vast dat vooral Westerlinck het moet ontgelden. Hij onderstreept dat hij zeker niet gerekend kan worden tot “de lieve vrienden” van de gezaghebbende criticus.

‘Met des te geruster gemoed kan ik thans voor één keertje zij verdediging opnemen. Voor zover ik deze essayist ken, is hij er niet de man naar om zich te tooien met valse schijn. Ik zou daarvan voorbeelden kunnen aanhalen, voorbeelden die ondubbelzinnig duiden op een morele en literaire moed welke ik niet anders dan waarderen kan. Waarmee natuurlijk niet wil gezegd zijn dat Westerlinck overal en altijd gelijk zou hebben. En wat zijn voordracht op de Elsschot-hulde betreft, persoonlijk vond ik ze de meest hoogstaande van de vier, stukken degelijker dat het familiaire buurtpraatje van Frans Smits of de pseudo-geestigheden van de heer Nijhoff, om het bij deze twee te houden, die F[rans] B[uyle] zo goedjonstig in de hoogte steekt.’[1]

(wordt vervolgd)



[1] I[vo] M[ichiels], De Vrijbuiter, in: Het Handelsblad, 17 juni 1952.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche