Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
15 février 2008 5 15 /02 /février /2008 07:13
Soms is het hoofdpersonage van een roman een stad: Parijs bijvoorbeeld (bij Restif de la Bretonne, Eugène Sue en Emile Zola, of in Victor Hugo’s Notre-Dame de Paris) of Berlijn (Alfred Döblin), Praag (Gustav Meyrinck), Dublin (James Joyce) en, waarom ook niet, Antwerpen (Georges Eekhoud, Emmanuel de Bom, Hubert Lampo en Guy Vaes).

Zo bepaalde de lectuur van Henryk Sienkiewicz’ populaire Quo vadis? (1896) mijn prilste verbeelding van Rome. De koelbloedige zelfdoding van Petronius, arbiter elegantiarum, en de haast gedwongen zelfmoord van de opgejaagde Nero legden toen reeds het contrast bloot (dat ik later zélf in de Eeuwige Stad zou ervaren) tussen beheerste en voorname theatraliteit en bedwongen zin voor decorum enerzijds, ongebreidelde neiging tot (zelf)karikatuur en histrionische vulgariteit anderzijds.

Later herlas ik Vergilius. Zijn bucolische poëzie was me vreemd gebleven, maar een aantal verzen uit de Aeneis stonden in mijn geheugen gegrift (de bouw van Carthago – hier werd ik immers geconfronteerd met een stadslandschap in wording – en de ontmoeting met Dido, die fluisterende en tragische verklanking van de coup de foudre. De gebalde erotiek van Horatius en de uitgebalanceerde retoriek van Cicero spraken me aan (de imperatoria brevitas – bij Caesar reeds aanwezig – ontdekte ik pas later).

Petronius’ dood bleef echter het recurrente beeld: de antieke zelfdoding als beredeneerde daad van moed, zelfbeheersing en ultieme zelfbevestiging, die niets te maken heeft met de romantische zelfmoord in het teken van frêle en sentimentele onmacht, noch met de existentialistische of absurdistische variante, uitdrukking van vereenzaamde vertwijfeling en vacuüm-neurose.

Neen, de zelfdoding van Petronius (of van de oude patriciër in Fellini’s Satyricon) beantwoordt aan een soort onthecht plichtsbewustzijn tegenover zichzelf: de aristocratische, autonome enkeling is nu eens niet bereid te wijken voor de druk van de dwaze macht der velen, omdat hij nu eenmaal hogere eisen stelt en dwingender regels hanteert. De verbinding van de waarlijk epicuristische ingesteldheid met de vastberaden aanvaarding van het lot resulteert aldus in een ultieme lange neus aan het adres van de onbespraakten die, naar het woord van Gilliams, cultuur verwarren met “een fabriek van sanitaire meubels” en “het bruisende onwelriekend schuim als drinkbare wijn prijzen”.

&

Mijn ervaring van het Romeinse licht is aan drie plaatsen gebonden: het Cemetero Acatolico, de Fontana di Trevi en het meer van Nemi.

 

Ik ontmoette Gustav René Hocke (1908-1985) in Dublin in september 1971, en hij nodigde me uit in Casa Diana, zijn residenza in Genzano di Roma. Alvorens naar Genzano af te dalen, bleef ik enkele dagen Rome verkennen. Ik wilde me immers eerst geheel onderdompelen in de sfeer van de stad, de lauwe of plots gloeiende kleuren ervaren, het wisselende licht ondergaan dat staal en beton tot doorschijnend of poreus marmer herleidt of verpulvert, dan weer integendeel een scherp, staalachtig profiel verleent aan de tederste glooiingen van de zinnelijkste beelden. De cafés aan de via Vittorio Veneto, van de Doney tot de Harris’ Bar, brachten me Parijs in herinnering, maar dan krachtiger, geprofileerder, genadelozer ook, zonder vervloeiende overgangszones. Verfijnde, natuurlijke aristocratie en zelfvoldane, frisse vulgariteit.

Het stadslandschap stond toen in de greep van de politiek. Overal affiches, proclamaties, slogans, graffiti – het schuim van de tijd. “Basta con la dittatura poliziesca” – “La giustizia nelle mani del popole” – “Via il governo della galera” – “Tricolore si, fascismo no”. Steeds opnieuw het rumoer van de eeuw, het ondergronds rommelende oproer.

De bus naar Genzano volgt de Via Appia. Twee boomsoorten beheersen het antieke landschap, de cypres (gesloten paraplu) en de Romeinse pijnboom (open paraplu). Vanuit café Nazionale, op een steenworp van de tuinen van Togliatti, belde ik René op om mijn komst te melden. Hij kwam me met de auto afhalen. We dronken eerst nog een aperitief. Plots keek hij op zijn horloge en zei: “In Europa is het nu tien uur”. Toen besefte ik pas dat ik inderdaad een andere wereld was binnengetreden.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche