Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
13 février 2008 3 13 /02 /février /2008 00:24

Sommigen willen worden wat ze haten of haten wat ze willen worden; ze willen erkend worden door hen die ze misprijzen en misprijzen hen door wie ze erkend worden. Anderen weten dat beroemd willen worden betekent zich vernederen: je bedelt om erkenning van een publiek dat je in de grond veracht. Mark was gewoon een innemend mens die wellicht erkenning nodig had maar ze niet eens nastreefde. Hij wist beter.

Sommigen noemden hem naïef - wat een compliment kan zijn, maar zo bedoelden ze ’t niet. Naïef, het is gauw gezegd. Hij leek wel soms even ingetogen en onwankelbaar als een tweemaal geborene, maar onder zijn onverstoorbaarheid woelde wellicht een onrustige natuur. Zocht hij in ideologische zekerheden de mentale rust die af en toe evenwicht en orde in het leven brengt? Al te zeer psychologiserend, zo’n vraagstelling, net zoals de typering van Karel Jonckheere al te reducerend klinkt: “Mark Braet wentelt tussen intieme liefdepoëzie en communistische belijdenissen, en verkeert in opstandigheid tegen de aparte gruwelen van zijn opponenten.”[1]

&

Je werd geen lid van een communistische partij zoals je lid werd van een koor, al werd natuurlijk verwacht dat je mee kon zingen, maar dat was niet genoeg. Ook niet in Vlaanderen, waar de partij weliswaar marginaal bleef maar waar de kadaverdiscipline, alleszins na de oorlog en tot diep in de jaren vijftig, even stringent was als bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de rijke zuster niet alleen decennialang een politieke en syndicale macht vertegenwoordigde maar bovendien over een aanzienlijk intellectueel potentieel en prestige kon bogen. De Franse partij hield trouwens een tijdlang ideologisch toezicht op de Belgische, daar kon Maarten Thijs, die na de bevrijding tot de redactie van de strak geleide Rode Vaan toetrad, sine ira et studio verhelderende verhalen over vertellen. [2]

Wie zoals Mark Braet, komende uit het verzet en na twintig jaar partijlidmaatschap, tien jaar lang in het Centraal Comité zetelt, is niet naïef, zoekt geen zekerheden als uitkomst voor een persoonlijke problematiek: dank zij intellectuele discipline heeft hij hardnekkig en koppig zijn “dur métier d’homme” geleerd. Grondiger wellicht dan in andere organisaties, die meestal niets meer voorstellen dan de tijdelijke belangengemeenschap van een los verbond van carrièrebeluste individualisten. 

Soms gaf hij toch de indruk opgejaagd te zijn, en dan straalde hij iets iels uit, net of de nog nauwelijks bedwongen onrust hem naar de riskante rand van de sentimentaliteit had gestuwd. De revolutionair kan zich echter niet beperken tot bevlogen rebelsheid die vaak een slechte raadgeefster blijkt. En mocht zijn overtuiging wel eens een barst vertonen, dan liet hij dit niet blijken. Je mag niet in het slop geraken, de geest waait waar hij wil, maar scheuren moet je toch tijdig dichten, wil je niet in de tocht staan. Kalfaten is soms onvermijdelijk.

(wordt vervolgd)

[1] Karel JONCKHEERE, Een hart onder de dierenriem, Brussel/Den Haag, Manteau, 1967, p. 44.

[2] L.-P. Boon refereert af en toe aan de interne keuken van de partij, waar Aloïs Gerlo het ook over heeft in zijn levensverhaal, Noch hoveling noch gunsteling (Kapellen, DNB/Uitgeverij Pelckmans, 1989).

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche