Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
12 février 2008 2 12 /02 /février /2008 03:51

De merites van de dichter werden onlangs nog, in het voetspoor van Jan van der Hoeven[1] en Bart Vonck[2], overtuigend vastgelegd door de schrandere criticus Jos Joosten, die onderstreept dat Braets politiek engagement geen beslissende rol heeft gespeeld bij de receptie van zijn werk.[3] En terwijl hij terecht betoogt dat Braet bij uitstek een dichter is, gingen mijn gedachten spontaan naar de communist uit.

 

Hij mocht dan inderdaad “eerder karig met biografische gegevens”[4] zijn, volgende oriënteringspunten zijn welsprekend genoeg: van 1963 tot 1970 was Mark vrijgestelde van de Kommunistische Partij waartoe hij in 1943 toegetreden was. Eveneens in 1963 werd hij lid van het Centraal Comité (tot in 1973) en politiek secretaris van de Federatie West-Vlaanderen (tot 1969). Hij was lid van het CC toen hij in 1970 nationaal secretaris werd bij de Vereniging België-USSR (tot aan zijn pensioen in januari 1986); bovendien was hij medestichter van de Vereniging België-DDR.

 

Wie sprak er weer van “le dur métier d’homme”? Ziehier in een notendop het itinerarium van een man die alleszins de harde stiel sowieso diende te leren.

 

Ik heb hem gelezen, te zelden besproken, vaak gezien ook, vooral vanaf de jonge jaren zeventig en in de eerste helft van de jaren tachtig, meestal in gezelschap van collega’s of vrienden, tijdens jaarvergaderingen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, die hij gewetensvol bijwoonde; ook in werkgroepen van de VVL, waar ik zijn strategisch en tactisch inzicht leerde waarderen; naar aanleiding van publicaties en colloquia over de economische Oost-Westbetrekkingen; op recepties bij de ambassade van de Sovjetunie of van de Duitse Democratische Republiek.

 

Net zoals Georges van Acker, die andere Brugse vriend, kon ik vannacht schrijven: “Mark Braet is althans voor mij een onzichtbare vriend. Wie ooit de film De onzichtbare man heeft gezien, weet dat die kerel nu en dan zichtbaar werd, maar wanneer hij zich van zijn verband ontdeed, verdween hij in het niet. Zo ook Mark Braet. Hij hoefde zich echter van geen zwachtels te ontdoen om voor mij onzichtbaar te worden. Nu en dan dook hij op, wij ontmoetten elkaar, werkten samen, doch alles bleef bij ‘korte en goed’.”[5]

 

&

 

Zaterdag 23 mei 1981 reed ik ‘s ochtends met Clara Haesaert naar Den Haag om aan de jaarvergadering van de Vereniging van Letterkundigen deel te nemen. Een paar uren later woonden we in Amsterdam de opening van De Brakke Grond bij. Erg geestdriftig over de oprichting van een Vlaams cultureel centrum in Amsterdam was ik niet. Als er dan toch geld beschikbaar was voor dergelijke prestigeprojecten, dan ging mijn voorkeur immers naar iets zinnigs: een Vlaams centrum in Parijs en een huis van de Franse gemeenschap in Amsterdam. Aan het Nes vond een betoging plaats. Uit België met bussen aangevoerde welzijnswerkers betoogden minder tegen wat ze ervoeren als een elitaire bedoening dan wel om hun concrete eisen op het veld te beklemtonen. Wie niet beter wist, kon de sfeer grimmig noemen, maar ze was in feite goedhartig woelig. Toch vond ik plaats en uur van de demonstratie al bij al ongepast. Bovendien kon zo’n doordeweekse herrie – zeker in Amsterdam… - nauwelijks indruk maken.

 

Ik stond daar tussen de joelende menigte met minister Rika de Backer te babbelen, met haar man Herman en haar medewerkster Diane Verstraeten en met Jo, Hein, Frank en Christine Albers. Het was een heen en weer geloop: Maurits Naessens, Mark Galle, Guy Tegenbosch, Nic van Bruggen, Marcel van Maele, Irina van Goeree, Patrick Conrad, Roger de Neef, Raoul de Puydt en André Moerman kwamen ook commentaar geven.

 

Daar, maar dan tussen het betogend volk, stond Marc Braet, even sereen als altijd en met dat tikkeltje onverzettelijkheid dat zijn al bij al frêle postuur niet liet vermoeden. Hij had trouwens geen broze houding, wel een heldere, wat naïeve blik en een nonchalante distinctie die hem een schijn van broosheid gaven. Ik vermoed dat hij taai kon zijn, en onverzettelijk, koppig zelfs, en dat hij zich als geen ander kon opwinden. Maar zo zag hij er niet uit, neen, hij leek eerder jongensachtig innemend, tegelijk tegemoetkomend en gereserveerd, meegaand en dwars.

 

(wordt vervolgd)

 


[1] Jan VAN DER HOEVEN, Mark Braet, een roos op de bajonet, in: VWS-cahiers, 1986, XXI, nr. 3.

[2] Bart VONCK, Mark Braet: zwerven tussen strijd en liefde, Torhout, Vereniging van Westvlaamse Schrijvers, 1989

[3] Jos JOOSTEN, In het wonder blijven geloven, in: Poëziekrant, XXVII, 1, januari-februari 2003, pp. 66-68.

[4] Bart VONCK, op. cit., p. 5.

[5] Georges VAN ACKER, De onzichtbare vriend, in: Mark Braet Wit, Brugge, Kruispunt, 1985, p. 5.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche